Humane Bewegingsfunctionaliteit
Theoretische uitgangspunten bij de tactiele behandeling van psychosomatische klachten
Terug naar de introductiepagina: Bewegingsfunctionaliteit
Terug naar: Colleges
Bij
dit al 11 jaar geleden gepubliceerde artikel in het Nederlands Tijdschrift
Voor Fysiotherapie ( vol. 99 no. 9 september 1989 ) willen wij 2 opmerkingen
vooraf laten gaan.
Ten
eerste. De term ‘psychosomatisch’ is uitsluitend gebruikt om aan te
sluiten bij de gangbare medische praktijk.
In
het artikel geven wij duidelijk aan, dat wij met die term niet gelukkig zijn.
Ten tweede. Het artikel legt te zeer de nadruk op personen die als het ware voorbestemd zijn om op een bepaald moment in hun leven z.g. psychosomatische klachten te ontwikkelen. Ook dit sluit aan bij de gangbare medische opvatting.
Maar chronische klachten, die een gevolg zijn van de te beschrijven
excentrische positionaliteit, kunnen even goed ontstaan louter als gevolg van hardnekkige pijn of andere
stressvolle situaties, zonder dat er sprake is van de beschreven tekorten in
de eerste levensjaren.
THEORETISCHE
UITGANGSPUNTEN BIJ DE TACTIELE BEHANDELING
PSYCHOSOMATISCHE KLACHTEN
C.G. de Graaf en A. J. A, Verberk
Dit artikel biedt een coherent theoretisch raamwerk
waarin de volgende stellingen geïntegreerd worden.
1 Dat Plessner's beschrijvingscategorieën
'centrische en excentrische positionaliteit' een belangrijke heuristische
functie hebben voor de theorievorming rond de tactiele behandeling van
psychosomatische klachten.
2. Dat een persisterende excentrische positionaliteit
het belangrijkste verziekende kenmerk is bij hardnekkige psychosomatische
klachten.
3. Dat psychosomatische klachten teruggaan op
contactstoringen in de eerste levensmaanden, waarin tactiele contactvormen de
meest fundamentele conditie vormen voor zowel de fysieke als de psychische
ontwikkeling.
4. Dat een adequaat tastcontact, als vorm van vitale
communicatie, in zichzelf kwaliteiten bezit, die zich laten omschrijven als
een weefselactiviteit, waarbij sprake is van een wederzijds zich invoegend
voegen naar het weefsel van de ander.
5. Dat die kwaliteiten geen directe relatie hebben
met gebruikelijke psychologische categorieën als genegenheid, vertroetelen
enzovoort.
6. Dat men in een therapie - gericht op herstel
van het kunnen functioneren in een centrische positionaliteit - dient te
zoeken naar zodanige vormen van tactiele behandeling, dat die voor de patiënt
als vorm van aanraking géén reeds vastgelegde betekenis hebben. Veel blijft
er dan niet over, maar dat weinige blijkt voldoende te zijn.
Het forum van
vakgenoten
Sinds 1981 bestaat in Joure de Voortgezette Opleiding
Humane Bewegingsfunctionaliteit. De tijd lijkt gekomen om tenminste voor een
deel een oordeel mogelijk te maken voor het forum van vakgenoten. Dat deel van
de opleiding dat besteed wordt aan het diagnosticeren en behandelen van
tekorten in het houdend en dragend vermogen van het 'bewegingsapparaat’
wordt hier (nog) niet aan de orde gesteld.
Dit artikel beperkt zich tot theoretische
uitgangspunten die van belang worden geacht bij de behandeling van patiënten
met een psychosomatisch klachtenpatroon, waarin veelal pijnklachten domineren
zonder dat daarvoor een anatomisch-fysiologische anomalie in de
gebruikelijke zin is aan te wijzen.
Praktijkervaringen met verschillende vormen van
tactiele therapie leverden de empirische basis voor de inzichten die wij hier
ter beoordeling willen presenteren.
Bij wijze van inleiding volgt hier een korte schets,
waarin de strekking van dit artikel summier bevat is.
Een aantal voor de hand liggende en opgeld doende opvattingen over tactiele therapie kregen voor ons op grond van praktijkevaluatie het karakter van misvattingen, althans als men ze ziet als bijdragen aan een authentiek genezingsproces.
In een confrontatie van negatieve praktijkervaringen
en de bestudering van de literatuur van verwante wetenschapgebieden ontstond
een theoretisch raamwerk, dat enerzijds de negatieve ervaringen begrijpbaar
maakte en anderzijds de weg wees naar tactiele contactvormen, die meestentijds
wel tot positieve therapeutische effecten leidden.
De ervaring met die nieuwe aanpak en daarmee de
toetsing van de theoretische basis is echter nog jong en te weinig breed om
een afgerond oordeel te kunnen uitspreken. Dit artikel is dan ook vooral
bedoeld als een uitnodiging tot kritisch meedenken.
Therapie gaat over genezen
Onze negatieve ervaringen betroffen opvattingen over
tactiele therapie die samenhangen met stellingen van de volgende soort:
dat de therapeut in het tactiele contact een uitnodigende rol zou moeten spelen voor het gevoelsleven van de patiënt;
dat vooral de affectiviteit van de therapeut tot
uitdrukking zou moeten komen in zijn tactiele benaderingswijze, die daarmee
niet direct op het lichaam van de patiënt maar op 'de persoon' zou dienen te
zijn gericht;
dat de patiënt daartoe allereerst door manipulatie
zijn kwetsbaarheid bewust zou moeten worden; dat de manipulatieve belasting
van de patiënt zou leiden tot een verhoging van diens draagkracht en
belastbaarheid in de meest brede zin.
Bij niet-zieke mensen kan men langs deze weg
wellicht het vertrouwen in eigen kunnen versterken en daarmee samenhangende
effecten bereiken.
Maar bij ernstige en hardnekkige psychosomatische
klachten bleek dit vaak slechts te leiden tot oppervlakkig aanpassingsgedrag,
gevoelsrationalisaties en verhoogde afhankelijkheid van de 'therapie'.
Om een gevaarlijke kuil te kunnen vullen, wordt dan
een nieuwe kuil gegraven.
Verankerde obstakels omzeilen
Een evident theoretisch uitgangspunt bleef voor ons
het belang van tactiel contact in de allereerste levensperiode als de meest
fundamentele ontmoetingsvorm bij het opbouwen van een zelfbeeld en
wereld-beeld.
In die periode is er nog niet of nauwelijks sprake van bewuste duidingen of
interpretaties van gewaarwordingen en belevingen. De levensdrift functioneert
nog puur lichamelijk. Het tactiel contact moet dus karakteristieken hebben die
effectief zijn zonder dat het bewuste gevoelsleven daarbij een rol speelt.
Dit deed ons zoeken naar tactiele vormen, waarbij wij
de patiënt proberen te bereiken op een zo primitief mogelijk niveau van
lichamelijke beleving, waar reeds vastgelegde betekenissen de beleving van dat
contact niet bederven.
De psychologie van waarnemen en emotie leert, dat
emotie betekenissen vastlegt en vastgelegde betekenissen doet herleven, en dat
de inhoud van iedere waarneming primair bepaald wordt vanuit het waarnemend
subject op grond van voor dit subject vastliggende betekenissen.
Als er nu bij een patiënt sprake is van een
vastliggend taxatiepatroon in het omgaan met zijn eigen lichamelijkheid, zal
iedere betasting door een therapeut vanuit dat vastliggende patroon worden
waargenomen en overeenkomstig 'verwerkt'. En als nu juist dat patroon van
omgaan met de eigen lichamelijkheid een belangrijke bron is van de ontstane
klachten, zal er alléén dan een genezende werking kunnen zijn, als men er in
slaagt dat vastliggende patroon te omzeilen.
Een tactiele therapie dient er dan op gericht te
zijn, dat niet langer die 'voelsprieten' van de 'geest' het hele waarnemen
bepalen, maar dat het lijf-zelf weer een vitale instelling krijgt,
ofwel, om het plastisch te zegen, dat die 'excentrische geest' weer durft
terugkeren naar het lichaamscentrum, en het lichaam-zelf weer op vitale
wijze tot communicatie laat komen in het tactiele contact.
Van krampachtig geleid werktuig kan het lichaam dan
weer centrum worden van spontaan zelf-voelen en zelf-bewegen, open naar
een wereld, zodat het zoeken naar een meer adequaat antwoord op psychosociale
belasting mogelijk wordt.
Het tactiele contact tussen therapeut en patiënt kan
ons inziens daarin een belangrijke rol spelen, mits daarin louter de
lijfelijke vitaliteit van de patiënt wordt aangesproken.
Dat wil zeggen dat niet wordt gezocht naar een
zogenaamde 'psychotactiele' ontmoeting met 'de persoon' als men daarmee iets
ánders bedoelt dan tactiel contact met het vitaal-reagerende lijf van
'deze patiënt'.
Humane
bewegingsfunctionaliteit en dualisme
Wat is humane bewegingsfunctionaliteit?
In de naamgeving 'humane bewegingsfunctionaliteit'
wordt aangegeven, dat wij houding en beweging van de mens consequent trachten
te beschouwen als vitale functies.
Daarmee zetten wij ons af tegen een
natuurwetenschappelijke benadering, die in feite een dualistisch mensbeeld in
stand houdt, waarbij lichamelijke functies en psychische functies als
afzonderlijk te bestuderen componenten van het menselijk functioneren aan de
orde kunnen komen. Het vitale functioneren laat zo'n scheiding niet toe. Het
begrip 'vitale functie' wordt daarbij opgevat overeenkomstig een kritische
uitwerking van het functiebegrip, zoals het door Buytendijk (1) is
geïntroduceerd.
Daarmee wil gezegd zijn, dat iedere vitale beweging
onvoldoende begrepen wordt, als men niet voortdurend attent is op het feit,
dat het gaat over een bepaald, aanwijsbaar subject, dat - zichzelf
bewegend - een concrete, zinvolle relatie met zijn wereld voltrekt: er is
steeds sprake van een intentionele toe- of af-wending naar of van
die wereld.
Dit geldt voor mens en dier. Voor de therapie worden
de verschillen tussen een menselijke wereld en een dierlijke wereld zó
wezenlijk geacht, dat de toevoeging 'humane' in de naamgeving voor de hand
lag.
Niet een substantieel, maar een relationeel lichaamsbeeld
Tamboer (2) heeft het belang van dit uitgangspunt
uitvoering aangetoond. Hij introduceerde de termen 'relationeel lichaamsbeeld'
en 'substantieel lichaamsbeeld'. Uitvoerig gedocumenteerd pleit hij voor het
eerste en wijst hij het tweede af.
Terechtstelt hij, dat in de huidige wetenschappelijke
benadering van houding en beweging het substantiële lichaamsbeeld alom
tegenwoordig is als vóóronderstelling in 'iedere empirisch‑analytische
benadering van het menselijk lichaam’ en het meest duidelijk kan ... worden
aangetroffen in de gangbare fysiologie en anatomie' (pagina 190).
Echter, juist vanwege het belang van Tamboer's
onderzoek, willen wij er op wijzen dat hij ten onrechte meent (pagina 74), dat
hij hierin afwijkt van Buytendijk. Het is onjuist om te beweren, dat
Buytendijk's functionele gezichtspunt zou doelen op houding en beweging 'in
een contextueel vacuüm' (pagina 84) en dat zijn functionele bewegingsleer zou
steunen op een substantieel lichaamsbeeld (pagina 283).
Deze beweringen gaan goeddeels terug op een geheel
onjuiste interpretatie, zoniet verdraaiing van Buytendijk’s subjectbegrip
(pagina 82-83), zoals ook Dekker's (3), de beste Buytendijk-kenner
van dit moment, constateert op pagina 125.
Twee jaar later blijkt gelukkig, dat Tamboer (4) zich
bekeerd heeft, als hij (pagina 82) precies het tegendeel van bovenstaande
bewering formuleert: 'zijn (d.i. Buytendijk's) kritiek op het fysicalisme in
de bewegingswetenschappen laat zich nader typeren als een kritiek . . . op een
substantieel lichaamsbeeld.'
Met 'substantieel' doelt Tamboer (2) op het begrip
'substantie’ in de betekenis van een entiteit, die afgrensbaar is van ander
entiteiten zonder dat die entiteit daarbij haar meest wezenlijke
karakteristieken verliest. (pagina 188)
Een substantieel lichaamsbeeld veronderstelt een
lichaam dat als studieobject afgrensbaar wordt geacht zowel van de omgeving
als van de psyche, zodat men zinvol kan onderzoeken in hoeverre dat lichaam in z'n functioneren bepaald wordt
enerzijds vanuit zelfstandige invloeden 'van buiten' (de omgeving) en
anderzijds vanuit 'het psychische' (waarnemen, denken, voelen). Dat
substantiële lichaamsbeeld is een directe consequentie van een lichaamgeest
dualisme.
Radicale afwijzing van het dualisme
Onze uiteenzettingen in dit artikel zijn ten nauwste
verbonden met een afwijzing van dat dualisme. Ons uitgangspunt is, dat in de
omschrijving 'het menselijk lichaam 'de héle mens vervat is, op dezelfde
wijze als in de omschrijving 'het dierlijk lichaam' het hele dier vervat is.
En waar de mens op wezenlijke punten functies vertoont, die bij het dier
ontbreken, mag dat slechts leiden tot de conclusie dat het menselijk lichaam
op even wezenlijke punten ánders functioneert dan het dierenlichaam en in
zoverre (!) dus een ánder soort lichaam is.
Als men uit dat ánders functioneren meent te kunnen
afleiden, dat er dus sprake is van een geest, die niet-lichaam is, dan
begaat men de elementaire logische denkfout, die bekend staat als 'petitio
principii'.
Dit is een bewijs dat berust op premissen die slechts
geldig zijn als men de juistheid al aanneemt van datgene wat men nu juist
pretendeert te bewijzen (n. 1. dat een 'stoffelijk lichaam' geen geestelijke
functies kan verrichten).
Evengoed zitten we al vete eeuwen lang opgescheept
met dat metafysisch a-priori, waardoor men (de mens beschouwt als een
ingewikkelde) som van dierlijk lichaam plus menselijke geest. Daarbij ligt het
voor de hand om begrippen als 'Zelfbeeld' en 'ik-beleving' toe te
schrijven aan de geest, ver buiten het domein van puur lichamelijke
ervaringen.
Zo zitten we - ondanks de schijn van het
tegendeel - nog steeds met een psychologisch broddelwerk van enerzijds
dierlijk geachte instincten en driften en neurofysiologische arousal-processen
en anderzijds een menselijke interpreterende geest met verstand en wil, ofwel
- in een modern jasje – met ‘cognitieve processen'.
Van de Veer en Valsiner (5) merken op dat de huidige
psychologie dit eeuwenoude probleem denkt te kunnen oplossen door het te
negeren, maar zij besluiten negen pagina's verder: 'de kwestie van het lichaam-geest
dualisme blijft een belangrijk obstakel voor de vooruitgang van de
theoretische status van de hedendaagse psychologie'. (pagina 412)
Maar hoezeer men het dualisme ook afwijst, zolang men
verstaanbare taal wil blijven schrijven, valt aan allerlei termen die zijn
afgeleid van de begrippen psyche en geest, niet te ontkomen.
Wij willen ze niet méér inhoud geven dan als
aanduidingen van eigensoortige lichamelijke functies, waardoor ofwel dier en
mens zich onderscheiden van andere levensvormen (psyche), ofwel waardoor het
menselijk‑lichamelijk functioneren zich onderscheidt van dat der dieren
(geest).
Buytendijk komt terug in de wetenschap
Om niet in de vele valkuilen van het dualisme terecht
te komen, grijpen wij terug op het theoretisch begrippenkader van belangrijke
fenomenologische antropologen en biologen, die men rond en achter het werk van
Buytendijk kan aantreffen, zoals V. von Weizsäcker,
J. J. von Uexküll,
M. Scheler, H. Plessner, M. Merleau-Ponty. Zie Dekkers (3).
Wij sluiten daarin aan bij het Nederlands Handboek
der Psychiatrie. Het daarin opgenomen hoofdstuk Psychologische Grondbegrippen,
van Calon en Prick (6) blijft in het kader van de psychologische vakliteratuur
een voorbeeldig unicum, zowel qua synthetische opbouw als qua antropologische
fundering. Ook al bevat het nog duidelijk sporen van dualisme, het bevat
evenveel wegwijzers om daar radicaal aan te ontkomen.
De nieuwere gegevens van de huidige psychologie en fysiologie behoeven daarbij niet te worden verwaarloosd, integendeel: zij treffen binnen dat antropologisch kader een theoretisch netwerk dat hun waarde verdiept, en omgekeerd kunnen zij de empirische en theoretische tekortkomingen van dat kader aanvullen. Aan alle kanten duiken deze fenomenologische antropologen weer op in de literatuur van verschillende disciplines.
Tijdens de conferentie 'Hersenen en gedrag' in 1986
(7) bleek dat de gelijknamige interfacultaire werkgroep in Nijmegen de
resultaten van hun neuro-farmacobiologische onderzoeken slechts zinnig
kunnen interpreteren als zij teruggrijpen op dat fenomenologische kader.
De neuro-farmacoloog van die werkgroep, prof.
A. R. Cools (8) besteedt zijn inaugurale rede in 1985 aan de stelling 'dat
omgeving, hersenen en gedrag één geheel vormen'.
Frijda (9) laat zich in zijn belangrijke werk 'De
Emoties' van 1988 door het hele boek heen leiden door basisideeën van die
fenomenologen, ook al doet hij het voorkomen alsof hij blijft denken in de
fysicalistische termen van stimulus en respons.
De psycho-fysioloog Brunia (10), schrijvend vanuit de
psychologenkring die zijn identiteit ontleent aan het natuurwetenschappelijk
onderzoeksmodel, ziet zich gedwongen te bekennen: '... de door fenomenologisch
georiënteerde psychologen benadrukte eenheid van mens en situatie blijkt ook
voor strikt experimenteel werkende collega's een moeilijk te omzeilen probleem
te zijn' ( pagina 299). Touwen (1 1), hoogleraar in de ontwikkelingsneurologie
wijst erin 1983 op, dat de omgeving ( ! ) van een organisme, zelf even
individueel is als de genetische formule van het betreffende individu, daar 'omgeving en organisme reciproque zijn verbonden' (pagina 5). Een
'reciproque verbinding' wil zeggen, dat het organisme niet eenvoudigweg
reageert op omgevingsstimuli, maar zelf bepaalt welke (objectief benoembare)
omgevingselementen tot stimuli wórden. Hij wijst dan ook op het
tekortschieten van het stimulus-response-model en het daaraan
gebonden reflexmodel van Sherrington bij het bestuderen van
zenuwstelsel-activiteiten.
Men vraagt zich mogelijk af, wat dit alles te maken
heeft met het lichaam-geest dualisme. Alles, dunkt ons. Alleen krachtens
een onderscheid tussen lichaam en geest wordt 'het menselijk lichaam'
gereduceerd tot 'het lichaam van de mens', dat op zich monddood' is, zoals
Tamboer ( 2 het formuleert (pagina 182). Dat lichaam heeft zèlf 'niets te
vertellen', het reageert slechts op omgevingsprikkels en intermediëert
willoos tussen het keuzemakende geestelijke subject en z'n omgeving. Zo'n
lichaam is geen 'zelf, dat kiest, selecteert en creëert. En dat laatste
blijkt voor de genoemde moderne wetenschappers wel het geval te zijn. En dat
is de reden, dat zij teruggrijpen op stellingen en benaderingswijze van de
eerder genoemde fenomenologen.
Merleau-Ponty toont aan, zo stelt Bakker (12):
'het lichaam 'begrijpt'. Dit klinkt alleen dan als iets absurds, als we onder
‘begrijpen' verstaan dat we de zintuiglijk waargenomen dingen stellen onder
het aspect van een intelligibele idee, of als we het lichaam opvatten als een
object.... We versmelten ons met het lichaam, dat meer van de dingen in de
wereld weet dan wij' (pagina 431).
Psychosomatische
klachten
Pragmatische begin-omschrijving
In de titel van dit artikel spreken we over de
behandeling van psychosomatische klachten. Voor een definitie van
psychosomatosen vindt men zeer uiteenlopende beschrijvingen. Wij willen de
term in eerste instantie louter pragmatisch gebruiken, dat wil zeggen in de
betekenis waarin hij in de dagelijkse medische praxis gebruikt wordt.
We zouden het de
'verlegenheidsbetekenis' kunnen
noemen: de arts bevindt zich in een verlegenheidspositie, omdat er sprake is
van aanhoudende lichamelijke klachten, die hij op goede gronden serieus neemt,
maar waarvoor hij met het gebruikelijke diagnostische instrumentarium geen
anatomische of fysiologische oorzaak kan vinden; waarbij dan verondersteld
wordt dat de oorzaak op 'het psychische vlak' moet liggen.
En ook dat laatste wordt gesteld op goede gronden,
maar van zeer algemene aard en niet diagnostisch.
In aansluiting daarbij doelen wij met
psychosomatische klachten op een tamelijk goed afgrensbare patiëntengroep, dat
is op die patiënten die door huisarts of specialist naar ons worden
doorgestuurd niet wegens, een vermoede afwijking van het bewegingsapparaat,
maar wegens het ontbreken van iedere duidelijke aanwijzing voor diagnose en
therapie. De verwijzingsbrief-zelf duidt daar soms op: 'zou u eens
willen kijken of u iets kunt doen voor deze patiënt die klaagt over.
Een begripsinhoudelijk vervolg
Eigenlijk zouden we het bij deze puur pragmatische
omschrijving kunnen laten, Onze theoretische ideeën zijn immers ontwikkeld
zonder enige directe relatie met theorieën over psychosomatosen. Zoals
gezegd, zijn zij ontstaan vanuit aanvankelijke negatieve praktijkervaringen
van de Graaf. Deze ervaringen brachten hem er toe om de vitale reacties van het
lijf op verschillende vormen van aanraken zo nauwkeurig mogelijk te
onderzoeken in een jarenlang leerproces.
Van evenveel belang werd de reciproque relatie die
vanaf 1981 ontstond tussen dit zoeken en de psychologiecolleges in Joure van
Verberk over de dynamiek van de menselijke vitaliteit, waarin de nadruk lag op
een integratie van gegevens uit de neurofysiologie van het autonome
zenuwstelsel en de psychologie van emotie en motivatie (13).
Achteraf blijkt dat deze wisselwerking geleid heeft
tot theoretische concepten, die in feite zeer dicht aansluiten bij de
literatuur over psychosomatosen. In het vervolg kunnen we dit begrip dus in
meer inhoudelijke zin toelichten.
Voor die literatuur varen we op het kompas dat ons
door Vroon, (14) en door Stüttgen (15) wordt aangereikt. Het zijn eigenlijk
twee kompassen, want géén van de literatuurverwijzingen van de psycholoog
Vroon komen voor in die van de psychiater Stüttgen.
We hopen ook duidelijk te maken, dat de dualistische
interpretatie, die gegeven is met de term 'psychosomatisch', onjuist is. En
ook al spreekt men daarbij dan, zoals Vroon (14), niet over oorzakelijkheid
vanuit 'de psyche', maar vanuit' psychologische processen (pagina 326), dan
riskeert de lezer even goed dualistisch te blijven denken, zolang deze zich
niet realiseert, dat psychologische processen evenzeer lichamelijke processen
zijn als fysiologische processen en omgekeerd.
Wat Vroon zeker bedoelt, is dat het gaat over 'vanuit
de psychologie' te beschrijven processen. Het onderscheiden van fysiologische
processen en psychologische processen wordt gewoonlijk verstaan als, een
onderscheiden van verschillende soorten processen en dat is uitermate
dualistisch gedacht.
Er is slechts een onderscheid van beschouwingswijze
van dat wat als proces één is: een functie van het menselijk lichaam. En het
feit dat een functie zich beter laat bestuderen met het psychologisch
begrippenapparaat dan met dat van de fysiologie, of omgekeerd, zegt weinig
over de aard van die functie, maar meer over de aard van de vragen die we ons
daarbij stellen en of over het soort antwoorden die we belangrijk vinden.
Het zegt dus meer over veelal onbewezen a-priori's
van die wetenschappen, dus over onszelf, dan over de te bestuderen processen.
Excentrische
positionaliteit
Plessner en Buytendijk
Het begrippenpaar centrische en excentrische
positionaliteit heeft voor ons een centrale betekenis gekregen, vooral omdat
het veelzeggend kan zijn over de manier waarop mensen hun lichamelijkheid
realiseren.
Dit begrippenpaar is afkomstig van de in 1985
overleden antropologisch filosoof en sociale wetenschapper Helmuth Plessner,
die veel met Buytendijk heeft samengewerkt, zie Dekkers (3) pagina 135.
De vraag of de positionaliteitstheorie puur
filosofisch is (zoals Plessner stelde) of empirisch aantoonbaar is (zoals
Buytendijk beweerde), is eigelijk nauwelijks interessant. Theorieën, in welke
wetenschap dan ook, kunnen nooit de pretentie hebben, dat zij beschrijven hoe
de werkelijkheid is, maar hoogstens dat zij een samenhangend begrippenkader
geven, dat het zicht op de werkelijkheid verheldert en een effectieve bijdrage
levert aan het handelend omgaan met die werkelijkheid.
Theorieën zijn daarom pure instrumenten. Het zijn
uitgewerkte 'methodische ideeën', waarover Strasser ( 16) noteert "dat
methodische ideeën 'waar' zijn noch ‘vals' maar 'vruchtbaar' of
'onvruchtbaar". (pagina 128)
In die zin werken wij het positionaliteitsbegrip nu
uit. We doen dat op eigen wijze. Wel sluiten wij aan bij Buytendijk (1), die
naar Plessner's ideeën verwijst op pagina 387, als hij het heeft over 'een
desorganisatie van de verhouding van de mens tot zijn lichaam'. De ruimte
ontbreekt hier voor een voldoende genuanceerde uitwerking.
We kunnen niet méér doen, dan proberen de essentie
van onze interpretatie van het positionaliteitsbegrip over te dragen.
Mens en dier als subject
Met betrekking tot zijn lichamelijkheid beschikt de
mens over een functiemogelijkheid, waarin hij zich van het dier onderscheidt:
hij kan als subject een excentrische positie innemen ten opzichte van zijn
lichamelijk functioneren, waardoor er eerder sprake is van een lichaam
'hebben', dan van een lichaam 'zijn', al moet men met die veelgebruikte
zegswijze in dit kader behoedzaam omgaan. De gebruikte zegswijze 'als subject'
is van belang, maar kan allerlei misverstanden oproepen.
Met 'subject' bedoelen wij: een activiteiten
vertonend levend wezen, dat in termen van oorzakelijkheid terecht als autonoom
centrum van die activiteiten wordt beschouwd, zodat de vraag 'Wie heeft dat
gedaan?' op zijn plaats is.
Het begrip verwijst dus niet naar één of andere
geheimzinnige 'instantie' in dat levende wezen. Het verwijst naar dat levende
wezen-zelf als gekenmerkt door het feit, dat het zich gedraagt. Een
simpel voorbeeld moge volstaan: als een 'subject' loopt, is dat een 'zich
bewegen' en niet een bewogen 'worden', zoals dat het geval is bij het lopen
van de wijzers van de klok.
Ook het dier vertoont lichamelijke activiteiten,
waarbij het begrip 'subject' op z'n plaats is. Maar het dier kan als subject
alléén maar functioneren in 'centrische positie'.
Buytendijk schrijft op pagina 388 (1), 'het dier
leeft in de eenheid van zijn lichamelijkheid, in en met de omgeving. Het kan
zich uit deze binding nooit bevrijden en niets, noch de dingen, noch zijn
eigen lichaam, worden hem tot object, tot iets, waar het als subject tegenover
en dus buiten staat'.
De mens beschikt over beide mogelijkheden: als
subject is hij óf overwegend in centrische positie, óf overwegend in
excentrische positie, met betrekking tot zijn lichamelijk functioneren. Dit
óf-òf is een formulering, die we met het oog op het volgende met opzet
gekozen hebben, maar die ogenschijnlijk afwijkt van Plessner's omschrijving.
Die vinden we bijna letterlijk bij Buytendijk (1) op
pagina 388: 'ieder is eik ogenblik van zijn wisselwerking met de wereld ...
zowel midden in zijn lichaam als aan de periferie.Maar hij heeft het dan - zoals uit de context blijkt
- over een wisselwerking met de
wereld die niet verstoord is.
Het wijzen als voorbeeld
Als ik spontaan naar iets wijs, waarop mijn volledige
aandacht gericht is, ben ik helemaal in die bewegende arm of misschien nog
juister beschreven: bij dat waarnaar ik wijs.
Sartre zou zeggen: ik depasseer mijn lichaam. Maar ik kan óók - zonder iets aan de positie
van die wijzende arm en vinger te veranderen - mijzelf uit die wijzende
relatie terugtrekken door mijn aandacht op die wijzende arm te richten. Dan
ben ik als subject ten opzichte van dat wijzen in excentrische positie. Waar
ik eerst een wijzende arm was, heb ik nu een wijzende arm.
Als de lezer bereid is, dit eenvoudige proefje uit te
voeren, kan hij iets merken dat voor ons verdere betoog van groot belang is:
bij die overgang van centrische naar excentrische positie verandert de tonus
van de armspieren op merkbare wijze.
Als ik in excentrische positie functioneer,
functioneert (minstens) het betreffende lichaamsdeel ánders dan bij een
centrische positie.
In excentrische positie functionerend is mijn
wijzende arm niet meer echt wijzend, maar bevindt zich 'tussen' mij en het
ding, waarvan ik alleen maar wéét dat ik er naar wees. In centrische positie
ga ik volledig op in mijn handelen, dit is in mijn lichamelijk omgaan met de
dingen, daaronder begrepen de anderen.
Zo zeggen we: 'dat kind gaat volledig op in zijn
spel'. Die zegswijze 'volledig er in opgaan' dekt het begrip van een volledige
centrische positie: niets van het subject blijft over, er is geen rest, geen
daarbuiten blijvend stukje 'zelf , geen Ik, geen 'ziel', want het subject is
'met hart en ziel' midden in de omgangsrelatie.
Bewegingsfuncties leren: schrijven, fietsen
Het hier bedoelde verschil is ook duidelijk te maken
(zelfs correcter duidelijk te maken, zoals later moge blijken) bij tal van
leerprocessen als leren schrijven of leren fietsen.
Zolang ik nog leer schrijven, ben ik niet in het
schrijven van mijn hand, maar is mijn hand als een moeizaam functionerend
instrument tussen mij en het schrijven.
Ná het leerproces gaat het schrijven 'vanzelf, ik
depasseer mijn hand en ben geheel daar waar ik het geschrevene doe ontstaan en
zelfs dat is gewoonlijk niet bewust. Er is geen bewuste Ik-beleving
tijdens dat spontane bezig zijn met schrijven.
Dal wil zeggen: zodra ik het woord 'ik' gebruik,
bijvoorbeeld in 'ik ben nu aan het schrijven', ben ik in excentrische positie
gekomen. Normaal verstoort dat mijn schrijvend handelen niet, want ik schrijf
rustig door' omdat sinds lang mijn lichaam zèlf kan schrijven, zelfs veel
beter dan wanneer ik ‘als Ik mij daarmee ga bemoeien’, want IK weet
allang niet meer hoe ik dat doe.
Vroon (14) schrijft op pagina 52: 'ik weet dat ik van
alles kan en doe, maar ik weet niet hóe ik het doe. Ik weet niet hoe ik loop,
mijn lichaam wel. Als iemand mij vraagt, waar de volgende letter op de
schrijfmachine zit, weet ik het niet, maar mijn vinger wel'. Deze vorm van
excentrische positie, waarvan de zin 'ik is nu aan het schrijven, getuigt,
verstoort de centrische positie niet en kan ermee samengaan, al moet dat niet
te lang duren. Dit 'samengaan', is wat tot uitdrukking komt in het
bovenstaande citaat van Buytendijk.
De
verrijkende vorm van excentrische positionaliteit
Mogelijkheid geen moeten
Iedere vorm van excentrisch functioneren, die het
centrisch functioneren niet verstoort, noemen we een verrijkende vorm. De
verrijkende vorm is mogelijkheid. Het is een mogelijkheid die het perspectief
opent op alle typisch menselijke mogelijkheden, in zoverre zij óók bewuste
reflexie op onze relatie met de wereld mogelijk maakt. Deze
reflexiemogelijkheid wordt door vele schrijvers aangewezen als de bron van
alle geestelijke functies. Er is dus alle reden om dit excentrisch kunnen
functioneren positief te waarderen.
Maar dat kan slechts zolang het een mógelijkheid
blijft en geen móeten wordt, geen niet ánders kunnen. Hoewel, er is een
onvermijdelijke vorm van excentrische relatie met het functionerende lichaam,
die in termen van gezond functioneren niet negatief behoeft te worden
gewaardeerd. Daarbij denken men aan de bovengenoemde leersituaties als leren
schrijven, leren fietsen, leren skiën en vele andere.
Zolang men nog leert, wordt het lichaam naar houding
en beweging nog als een instrument gehanteerd.
Bij het leren fietsen bijvoorbeeld stuurt men
aanvankelijk niet het stuur van de fiets maar men stuurt de armen.
Het aanleren van die functies zou men kunnen
omschrijven als een proces waarin men léért die functies in centrische
positie te verrichten, zodat een Ik-zelf positie van het handelend
subject overbodig wordt.
Als functionerend 'zelf kan het subject dan weer
helemaal zich vereenzelvigen met het functionerende-lichamelijkheid-zijn. (Het
is een vreselijk taalgebruik, maar onze van dualisme doordrenkte taal deugt
daar ook niet voor.)
Men kan het zó formuleren: in plaats van een IK-zelf
wordt het handelend subject weer helemaal Lichaam-zelf. Als lichaamsubject
functioneer ik, zonder dat ik in een afstandelijke IK-positie een oogje in het
zeil behoef te houden.
Het begrip 'functioneren in centrische positie' doet
denken aan het begrip 'objectlibido' van Freud. Ook zijn er sterke parallellen
met het door Lersch (17) uitvoerig geanalyseerde begrip 'echtheid van vitaal
functioneren'. Op dat laatste komen wij terug.
Het excentrisch functioneren bij de aangeduide
leerprocessen is weliswaar onvermijdelijk, maar tijdelijk, en in zoverre (!)
niet negatief te waarderen.
Bewegingskwaliteiten van de centrische positie
Als we bij zo'n leerproces, zeg bij het leren skiën,
over iemand zeggen 'Die zal het nooit leren', bedoelen we niet zozeer, dat die
persoon deze bewegingsvorm niet zal leren 'uitoefenen', maar dat hij niet zal
toekomen aan bepaalde kwaliteiten van zijn houding en beweging. Het gaat dan
over kwaliteiten, die kenmerkend zijn voor een centrisch-positionele
realisering van de lichamelijkheid. Het zijn kwaliteiten, wier afwezigheid die
aanvankelijke, onvermijdelijke vorm van excentrisch functioneren exemplarisch
maken voor wat wij de verarmde vorm zullen noemen. Daarvan willen we er kort
twee aanduiden.
A.
Het gaat vanzelf
De eerste kwaliteit betreft het vloeiende,
vitaal-aandoende,
niet-robotachtige karakter van de beweging, waardoor de indruk ontstaat dat
'het vanzelf gaat'.
Het is de
houdings- en bewegingskwaliteit waarin de
afstemming van alle kinetische functieaspecten op elkaar perfect beantwoordt
aan de van belang zijnde omgevingsaspecten, zodat de relatie tussen lijf en
omgeving als het ware een symbiotisch geheel wordt.
Ook de waarneming is dan niet meer analyserend (niet
dit en dat en dat, hier en daar) en zeker niet bewust. Wat in één flits
wordt waargenomen is niet zozeer de structuur van de omgeving-op-zich
maar de daaraan te beantwoorden lichaamshouding.
B.
Veiligheid en zekerheid
Een tweede kwaliteit van het zich bewegen in
centrische positie is het ook voor anderen waarneembare gevoel van veiligheid
en zekerheid. En juist de genoemde leerprocessen geven een aanwijzing, dat die
ervaren veiligheid in een directe, dialectische relatie slaat met het
in-centrische-positie-kunnen-zijn;
dat wil zeggen, dat ervaren veiligheid minstens evenzeer conditie is vóór
als kenmerk ván die functievorm.
Het 'durven' is een belangrijke voorwaarde voor een
snel en goed verlopend leerproces.
Het overwinnen van de excentrische positie omschreven
we eerder als een gaan functioneren als lichaamsubject zonder dat het subject
in een afstandelijke Ik-positie een oogje in het zeil behoeft te houden'. Die
uitdrukking is met opzet gekozen, want zij wijst op een bewakingsfunctie in
termen van veiligheid. Wie snel en goed leert is degene die 'zich (!) durft te
laten gaan' in de beweging, die zich durft over te geven aan de aan de orde
zijnde vorm van eenwording met de wereld.
En voor wie die relatie met dat stukje wereld
dominerend het karakter heeft en houdt van een onveilige relatie, 'die zal het
nooit leren'.
De
verarmende vorm van excentrische positionaliteit
Alle touwtjes in handen houden
Bovenstaande moge voldoende inleiding zijn voor een
omschrijving van wat wij de verarmende vorm van excentrische positionaliteit
noemen.
Dat is die excentrische positionaliteit die een soort
karaktereigenschap geworden is van die wijze waarop het handelend subject zijn
lichamelijkheid realiseert en daarin zijn relatie met zijn wereld. Daarbij
wordt het van belang, dat wij ons realiseren, dat houdings- en bewegings-gedrag
niet alleen betrokken zijn op het uitvoeren van handelingen, maar ook op de
expressie van de karakteristieke manier waarop ieder mens zijn wereld taxeert,
niet alleen qua momentane gerichtheid, maar ook qua meer blijvende instelling.
De verarmende vorm van excentrische positie is die,
welke bepaald wordt door een bij een centrische positie ervaren onveiligheid.
Door fundamentele en elkaar versterkende ervaringen van onveiligheid in
lichamelijke contacten met de wereld, is de wereld zèlf een onveilig oord
geworden. De communicatie met die wereld verloopt dan in vormen die vanuit een
excentrische positie bewaakt worden. Het zijn communicatievormen, die -
gebonden aan situatiekenmerken -
Specifieke situatiekenmerken beantwoorden aan
specifieke touwtjes. Leven wordt dan een slecht soort expertsysteem'. De
touwtjes die men in handen houdt zijn róllen die men in alle oprechtheid (!)
en bekwaam speelt. Men kan niet meer spontaan-vitaal reageren in een soepele
afstemming op de veelheid van karakteristieken, die eigen zijn aan iedere
concrete situatie. Er vindt een snelle, zeer selectieve taxatie van de
situatie plaats, niet zozeer op basis van die situatie-zelf, maar op basis van
de klaarliggende touwtjes. Het hele vitale lijfsgebeuren wordt daarbij zoveel
mogelijk gestuurd vanuit een excentrische positie. Het lichaam wordt zoveel
mogelijk 'instrument' waarmee Ik-zelf de communicatie met het andere en de
anderen voltrek.
De communicatie voltrekt 'zich' niet, maar ‘wordt'
zoveel mogelijk vanuit een sturende positie voltrokken. En deze instelling-zelf
is in één of andere vorm tot diep-verankerde existentiële waarde geworden,
hoewel nooit in deze termen en meestentijds in helemaal géén termen, want
niet bewust. Het 'Gods water over Gods land laten lopen' is pure ondeugd
geworden. En het 'Bezint eer gij begint' is geen kwestie van rustige bewuste
bezinning bij moeilijke ondernemingen, maar een diep in het onbewuste
verstopte dwangmatigheid, waarop geen uitzonderingen bestaan en waarbij geen
reflexie meer mogelijk is.
Een verziekt soma geeft somatische klachten
In bovenstaande beschrijvingen zijn in drie
achtereenvolgende zinnen de woorden 'zoveel mogelijk' gebruikt, want het
lichamelijk functioneren láát zich niet volledig sturen, want een levend
lichaam is er niet op gebouwd om zó gestuurd te worden.
Het vegetatieve of autonome zenuwstelsel, hoewel veel
minder autonoom dan het woord doet vermoeden en zeker niet iets vegetatiefs,
verkeert bij dit soort sturen in een welhaast permanente staat van opwinding.
Veel oriëntatiereacties habitueren niet echt, omdat
daarvoor nodig is, dat datgene waardoor die oriëntatiereactie ontstond, zijn
kenmerken van onbekendheid, onverwachtheid en complexiteit verliest, hetgeen
niet gauw gebeurt voor wie in een amorf-dreigende omgeving verkeert.
Zo is het ook met de reflexmatige schrikreactie
(startle-reflex).
Deze zal bij een angstige instelling uitzonderlijk vaak optreden. Het hele
stressapparaat en dus het hele hormonale en rieurale functiepatroon verkeert
in een chronische alarmtoestand.
Er ontstaat een ziekelijk functionerend lijf. En zo
ontstaat de basis voor een veelheid van somatische klachten.
En voor de specificitéit van die klachten zal de
genoemde expressiefunctie van de lichamelijkheid en de sociale functie
daarvan, wel een woordje meespreken, maar wellicht vindt zij vaak een
voldoende 'somatische' verklaring in die van de 'locus minoris resistentiae',
dat wil zeggen: de ketting breekt in zijn zwakste schakel.
Het zal de lezer duidelijk zijn, dat we een extreem
beeld beschreven.
Vaak is dat onvermogen tot centrisch functioneren
niet uitgevloeid over alle functies. Bij eenvoudig geworden functies als
schrijven, lopen enz. kan het nauwelijks merkbaar zijn. Hoewel ook dan het
beeld toch herkenbaar blijft aan signalen van het autonome zenuwstelsel,
bijvoorbeeld aan de autonoom gereguleerde tonus van het lijf als een
chronische hypo- of hyper-tonisatie.
Men bedenke bovendien, dat het gaat over die
realisatie van de lichamelijkheid, die is verkreupeld. Intellectuele en
esthetische vermogens kunnen op hoog niveau staan. Het abstracte denken, het
weergeven van ervaren emotionaliteit en zeker ook de fantasiewereld (15): dat
kan allemaal prima in orde zijn, zolang en voor zover dat 'excentrisch' kan
blijven aan de actuele, concrete alledag-omgang met de eigen
werkelijkheid.
Zoals dadelijk zal blijken hebben we met dit beeld
van excentrische positionaliteit het meest genoemde kenmerk van de
psychosomatose beschreven.
Maar eerst willen we nog twee opmerkingen maken om
misverstanden te voorkomen. De eerste betreft een onjuiste interpretatie in
het verlengde van het lichaamgeest dualisme.
De tweede betreft het belangrijke onderscheid tussen
excentrische positie en reflexief bewustzijn.
Noch geest, noch cerebrum
Men zou geneigd kunnen zijn de tegengestelde
positionaliteitspolen in dualistische zin te interpreteren, als volgt. 'Als de
mens een excentrische positie kan innemen ten opzichte van zijn lichaam, dan
is hij dus op dat moment niet zijn
lichaam; hij is dan méér dan zijn lichaam. Welnu, dat noem ik 'geest'.' De
fout zit ook dán weer in de premisse: de omschrijving 'een excentrische
positie ten opzichte van zijn lichaam' is onjuist. De excentrische positie
betreft nooit het hele lichaam, maar altijd slechts een beperkt functiegebied,
hoe breed dat vaak ook is. Het gaat trouwens niet om een terugtrekken uit het
lichaam, maar een terugtrekken ui de eenheid die wordt aangegaan met de
omgeving bij dat als-lichaam-functioneren in dat functiegebied.
Men herinnere zich de formulering van Plessner in het betreffende citaat van
Buytendijk.
De twee bedoelde posities worden beschreven
respectievelijk als 'midden in zijn lichaam' en 'aan de periferie van zijn
lichaam. Weliswaar worden niet puur 'lichamelijke' uitdrukkingen als 'sturen
vanuit de cortex' of 'cerebraal functioneren' vaak kenmerken van een
excentrische positionaliteit bedoeld, maar die bedoeling wordt dan slecht
verwoord. Want alle gedrag wordt gestuurd vanuit de cortex, óók het
functioneren in centrische positie. De kenmerken van beide posities zijn op
tal van punten in neurofysiologische termen beschrijfbaar en herkenbaar, maar
voor het bedoelde verschil in het funtioneren-zèlf zijn geen
neurofysiologische gegevens beschikbaar. Dat het bedoelde verschil ook niets
te maken heeft met het merkwaardigerwijze nog steeds gemaakte onderscheid
tussen 'autonoom' en 'willekeurig' zenuwstelsel, moge duidelijk zijn.
Overigens blijve men zich herinneren wat gezegd is over theorieën als
methodische ideeën'.
Het gaat niet om reflexief bewustzijn
Het tweede punt betreft het onderscheid tussen
excentrische positie en reflexief bewustzijn. Het zou onjuist zijn die twee
begrippen te beschouwen als synoniemen. Een ontwarring van de kakofonie van
betekenissen, die verbonden zijn kan de termen 'bewustzijn' en 'reflexie' zou
een half boekwerk vergen. We volstaan met op te merken, dat het begrip
'excentrisch functioneren' niet is ónder te brengen in gebruikelijke
onderscheidingen tussen bewust, onbewust en vóórbewust functioneren. Het
overstijgt zo'n indeling. Of beter gezegd: het betreft een ándere
indelingsdimensie, zoals bij plaatsbepaling op de aardbol een bepáálde
breedtegraad een ándere dimensie betreft dan de lengtegraad en dus met
verschillende lengtegraden kan samengaan. Waar het hier op aankomt is:
functioneren in excentrische positie is mogelijk zonder dat men zich daarvan
hoe dan ook bewust is. Het hoeft geen ’zelfbewustzijn' te zijn. Wel kan men
stellen dat 'zelfbewustzijn' één van de vormen, en wel een extreme vorm, van
excentrische positie representeert. Maar de meest voorkomende vormen zijn als
zodanig volkomen onbewust en hebben dus niets te maken met 'zelfbeeld, noch
met het lichaamsbeeld' dat men van zichzelf heeft. Wel heeft het alles te
maken niet 'lichaamsbeleving’ maar dan een ónbewuste beleving. Eerder
probeerden wij het begrip 'excentriciteit' te verhelderen, door er op te
wijzen dat bij het leren fietsen, niet de fiets, zelfs niet het stuur van de
fiets, gestuurd wordt, maar de armen. Aan dat voorbeeld moge duidelijk zijn
dat daarbij van bewuste lichaamsbeleving helemaal geen sprake hoeft te zijn.
Het positionaliteitsbegrip is hier - in het
voetspoor van Buytendijk - gebruikt als een empirisch-wetenschappelijk
model, een beschrijvingscategorie voor 'objectief’ observeerbare verschillen
van functioneren, die worden voorgesteld als verschillende manieren van
realisering van de lichamelijkheid.
En - nogmaals - bij wetenschappelijke
begrippen heeft het geen zin om te vragen of ze waar of onwaar zijn, maar
slechts of ze vruchtbaar dan wet onvruchtbaar zijn. Men zou kunnen opmerken,
dat wel degelijk zoiets als 'zelfobservatie' en 'reflexie' wordt
vóórondersteld, zodra men spreekt over 'het lichaam als instrument
besturen'. Daar zit iets in, maar dat zijn begrippen die gemakkelijk verkeerd
verstaan worden.
Met Frijda (9) dient men onderscheid te maken tussen
'zelfobservatie' en (altijd bewuste) 'introspectie'. (pagina 201 vlg.)
En met Giddens (18), pagina 114 vlg. constateren wij
dat empirische gegevens ertoe dwingen, om naast bewuste reflexie óók te
spreken over niet-bewuste reflexie.
Zie hierover ook Coenen (19) pagina 143-150.
Zeker, het zijn wat contradictoir klinkende
begrippen, maar ook de biofysicus Johannesma (20) ontkomt niet aan
contradictoir klinkende begrippen als 'circulaire causaliteit', 'dialectische
terugkoppeling' en 'creatief systeem' bij de bespreking van het zenuwstelsel
van dier en mens.
Excentrische
positionaliteit en Psychosomatische ziekten
De psycholoog Vroon: schematiserende rigiditeit
Het beschreven beeld van de verarmende vorm van
excentrische positionaliteit sluit wonderwel aan bij wat Vroon (14)
herhaaldelijk als centraal kenmerk van psychosomatici beschrijft.
We volstaan met een aantal citaten uit zijn achtste
hoofdstuk. De psychosomaticus is ‘onvoldoende in staat genuanceerd en
situationeel bepaald met zijn omgeving om te gaan'. Er is sprake van een
'versimpeld contact'; van 'een uiterst beperkt en schematisch relatiepatroon',
van een 'tamelijk onveranderlijk en niet-situationeel bepaald 'labelen':
vaste gegevens, vaste codes, vaste woorden en vaste sensaties'.
Vroon spreekt over 'het star coderen ... niet alleen
voor het contact met de buitenwereld maar ook voor signalen die uit het eigen
lichaam afkomstig zijn'. Dergelijke omschrijvingen, zegt hij, vormen 'de
algemene karakteristiek die in de klinische literatuur wel aan de
psychosomaticus wordt toegekend', 'De psychosomaticus richt zich niet zozeer
op de omgeving als wel op zijn eigen lichaam'.
De belangrijke rol die het autonome zenuwstelsel in
het hele beeld speelt blijkt ook herhaaldelijk uit de tekst van Vroon.
De psychiater
Stüttgen: alexithymie
Ook in het boek 'Interaktionelie Psychosomatik' van Stütggen (15), dat in het tijdschrift voor Psychiatrie door De Vooght (21) hogelijk is geprezen, vinden we dat beeld.
Onder de naam 'alexithymie' functioneert het
als één van de meest diagnostische kenmerken van de psychosomaticus.
Wij vertalen Stütggen
's (15) omschrijving van alexithymie (pagina 60): 'Bij de psychosomatische
patiënt is het voor alles opvallend, dat de omgang met de psychosociale
werkelijkheid overwegend vorm krijgt vanuit een geprononceerde, soms starre en
alternatiefloze aanpassing'.
Kenmerkend is een
'pensée operatoire' (pagina 60),
hetgeen we vertalen met: een mechanistisch gedachteleven dat overal
onmiddellijk 'het mes inzet'.
Kenmerkend is ook die rigide opstelling als
gesprekspartner. Wat de psychosomaticus van zijn gesprekspartner wil en voor
zichzelf verwacht ligt al helemaal vast. In die zin heeft hij 'eerder de
neiging tot zichzelf te spreken dan zich in te stellen op een verbale
interactionele ontmoeting met een gesprekspartner' (pagina 61-62).
Stüttgen noemt dat een 'réduplication projective'.
Voorrang voor het positionaliteitsbegrip
Wij prefereren bij het benaderen van psychosomatische
patiënten het positionalileitsbegrip boven de cognitieve benadering (Vroon),
boven de klassiek psychoanalytische (Stütggen)
en boven het denken in niveaus (Lersch), omdat in het positionalileitsbegrip
de kern van het probleem wordt gezocht in de wijze van omgaan met die
lichamelijkheid.
In een dwangmatige excentrische positie wordt het
lichaam 'gebruikt' en het lichaam is nu eenmaal geen gebruiksvoorwerp. Het
functioneren wordt gedevitaliseerd en lichamelijke functies worden verziekt.
Het ontstaan van lichamelijke klachten ligt dan zó voor de hand, dat zoeken
naar andere, met name psychische processen zoals 'conversie' van psychische
problemen in lichamelijke problemen eigenlijk overbodig is.
Onze voorkeur voor het positionaliteitsbegrip betreft
echter niet alleen het verklaringsvermogen daarvan.
De empirische vruchtbaarheid ligt ook in het feit,
dat het de weg wijst naar de doelstelling voor een radicale therapie: zoek
naar een therapievorm, die gericht is op herstel van dat deficiënte omgaan
met de lichamelijkheid. Daarbij wordt de vraag van belang: waar ligt de wortel
van het kwaad? En dan is het opvallend, dat
Stüttgen (15), die in trouw aan de
psychoanalyse het hele beeld beschrijft louter in termen van psychische
functies, het fundament voor het ontstaan van psychosomatosen met vele van
zijn referenten terugvoert op puur-lichamelijke ervaringen in de
allereerste maanden na de geboorte. Het gaat volgens hem om
communicatiestoringen waarbij de kern ligt in het feit, 'dat de
lichamelijkheid in haar functionaliteit onmiddellijk getroffen wordt'. (pagina
100) En deze in zijn boek vaak herhaalde stelligheid voert ons naar een nieuw
chapiter.
De
wetenschap en het belang van tactiele ervaringen
Montagu en het braakliggend terrein
In 1972 verscheen in de aulareeks de vertaling van
het boek 'Touching' van A. Monagu (22), dus vrijwel onmiddellijk na de
publicatie in 1971. Deze snelheid heeft vast te maken niet het feit, dat
Buytendijk toen nog in de redactieraad van de aulareeks functioneerde.
In ieder geval is het zo, dat een binnen de gangbare
psychologie en fysiologie totaal verwaarloosd aandachtsveld werd ontsloten
door deze imponerende verzameling en integratie van onderzoeken. Daarin wordt
duidelijk dat tast-ervaringen voor de allereerste ontwikkeling van
vitale functies bij dier en mens de meest fundamentele conditie vormen,
fundamenteler dan welke andere invloed van de omgeving ook.
Beter ware geweest te zeggen: Montagu zou dat
aandachtsveld hebben kunnen ontsluiten, want ook ná Montagu heerst het
zwijgen, ook in de literatuur waar de evidenties, die Montagu bracht, niet
hadden mogen ontbreken.
Niet 'de tastzin', maar ’het betasten'
Het is overigens jammer, dat Montagu's titel
'Touching'
vertaald is met' De Tastzin', terwijl we in het Nederlandse woord 'betasting'
toch een alleszins redelijk equivalent hebben. Montagu zegt: 'Maar ik houd me
hier niet bezig met het orgaan huid ais zodanig; . . .' (pagina 7) en: 'in de
eerste plaats willen we ontdekken: welke soort prikkelingen van de huid zijn
noodzakelijk voor de gezonde ontwikkeling van het organisme, zowel fysiek als
qua gedrag?'. (Pagina 19)
Is voelen en voelen twee?
Montagu's term 'gevoelservaringen' slaat evident op
ervaringen van het tastgevoel" en niet op wat wij als psychologische
categorieën affectief en emoties noemen. Deze voor de hand liggende en juiste
opmerking wordt overigens na lezing van het boek niet alleen overbodig, maar
zelfs in zekere zin onjuist.
De allereerste tastervaringen blijken dan de meest
primitieve affecten en emoties te vormen.
Dit vindt men trouwens ook bij Stüttgen
(15), waar deze herhaaldelijk het belang benadrukt van 'het preverbale
affect', dat 'altijd betrokken is op onlustmomenten op grond van onvoldane
lichamelijke behoeften' (pagina 21-22).
Jammer is het daarbij, dat ook Stüttgen de gegevens
van Montagu verwaarloost en zo de tastervaringen-in-brede-zin
reduceert tot orale lustgewinning als het gaat over de primaire lichamelijke
behoeften.
Men proeve de slotwoorden uit Montagu's inleiding,
die tevens de titel vormen van zijn eerste hoofdstuk: 'Het bewustzijn van de
huid'. De huid is bewustzijn: de huid kent en voelt.
Als anti-dualistische beschrijving van
lichamelijk functioneren is er geen fraaiere formulering denkbaar; al kan men
haren gaan kloven door op te merken, dat het altijd een subject is en niet een
lichaamsdeel dat kent en voelt.
Somatopsychisch in plaats van psychosomatisch
Montagu legt het begrip 'psychosomatisch' aan de
basis van zijn hele boek, maar dan juist in een betekenis die het omgekeerde
is van de gebruikelijke interpretatie.
Hij schrijft (pagina 18): 'Onze benadering ... is in
dit boek precies het tegenovergestelde van wat psychosomatici zo helder hebben
laten zien'. (Hij bedoelt kennelijk degenen die over psychosomatose schrijven,
niet degenen die eraan lijden.)
Hij wil met zijn boek aantonen, dat men, eerder dan
te denken in termen van psychische invloeden op somatische klachten, oog moet
hebben voor het omgekeerde: het feit dat vroege somatische ervaringen het
psychisch functioneren bepalen. Hij wil de gebruikelijke term ómkeren: '...
veeleer ben ik geïnteresseerd in wat de somatopsychische of de centripetale
benadering genoemd zou kunnen worden, dit in tegenstelling tot de
psychosomatische of centrifugale benadering'. (pagina 7) Vanuit zijn
functioneren als hoogleraar in de anatomie, zo zegt hij, "raakte ik,
doordat ik voortdurend op brokjes bewijs in allerlei literatuur stuitte,
steeds meer doordrongen van het belang van de huid, niet alleen in de
ontwikkeling van fysieke functies, maar ook in de ontwikkeling van die van het
gedrag" (pagina 17).
In tal van onderzoeken, laat hij zien dat niet alleen
het leven begint bij tastervaringen, maar ook zich vanuit taservaringen
ontwikkelt zowel fysiologisch als psychologisch.
Met name de noodzakelijke invloed van tastervaringen
voor de ontwikkeling van het autonome zenuwstelsel en daarmee voor de
ontwikkeling van de hele organische huishouding wordt overvloedig aangetoond.
Waarmee begint het leven en ieders leven?
Sprekend over het begin van het leven, is een
verwijzing op z'n plaats naar een recent artikel van Sachs (23) over de
nieuwste ontdekkingen van de moleculair-biologie. Hij schrijft hoe 'het
Ieven en 'ieders' leven op moleculair niveau begint met drukgevoeligheid, dat
is het omzetten van betasting als mechanische druk in eigen vitale activiteit.
Iedere afzonderlijke cel in het lichaam, met uitzondering van de kankercel, is
drukgevoelig. Met name de zintuigcellen van de tastzin, van het gehoor, van de
evenwichtszin, van alle vormen van proprioceptie en die van interoceptie
werken op basis van wat men een tastmechanisme zou kunnen noemen.
Het zijn wat Sachs noemt
mechanoreceptoren, die
werken op basis van door rek geactiveerde ion-kanalen. Sachs schrijft
(pagina 112): 'Gebrek aan contact in de eerste levensjaren leidt bij de mens
tot onomkeerbare emotionele problemen. Aanraking is kortom de kern van de
gewaarwording, de basis van alle communicatie van het organisme met de
buitenwereld, De tast is de enige zin die zo oud is als het leven zelf.
We horen het hier opnieuw: er is eerder sprake van
somatopsychische dan van psychosomatische processen.
De wetenschappelijke literatuur aanvullen
In het vervolg van dit artikel hopen we nog duidelijk
te maken, hoe het positionaliteitsbegrip helpt om op deze door Montagu
ingeluide omkering onmiddellijk aan te sluiten. Dat is overigens een netelige
onderneming.
Zoals gezegd, worden in de gangbare wetenschappelijke
literatuur over de vroeg-kinderlijke ontwikkeling de (toch even
wetenschappelijke) gegevens, die Montagu van her en der verzameld heeft,
totaal verwaarloosd. Bijvoorbeeld een voortreffelijk boek als de
'Ontwikkelingspsychologie' van Mönks en Knoers (24) schiet hierin ernstig
tekort.
Wij moeten dus zelf proberen die gegevens in
bestaande wetenschappelijke theorieën in te bouwen. Voor een deel is dat niet
zo moeilijk. Men kan in vele teksten, ook bij Stuttgen, de ontbrekende kennis
brutaalweg invullen. Men komt bijvoorbeeld een heel eind, als men in het juist
genoemde boek van Mönks en Knoers deze evidenties invlecht in hun bespreking
van de fundamentele betekenis van 'hechtingsgedrag' (pagina 48 en volgend) en
van de 'lack of emotional interchange with a love-object, (pagina 56) en
van het 'fundamenteel aangeboren streven naar effectieve interactie met de
omgeving' (pagina 60).
Men kan dan ook de volgende uitspraak van Mönks e.a.
aanzienlijk versterken: 'Afwijkend sociaal, emotioneel en motorisch gedrag kan
voor een deel het gevolg zijn van deprivatie van tactiele stimulatie' (pagina
58). Dergelijke aanvullingen en de daarbij behorende wijzigingen zijn niet zo
moeilijk.
Maar het wordt veel moeilijker als we met Stüttgen
(15) een veelheid van schrijvers volgen in de stellige bewering, dat de
oorsprong van psychosomatosen - in afwijking van vele andere
psychiatrische disfuncties - gezocht moet worden in die allervroegste
babytijd, waarover Montagtu spreekt, en wel vóór de zesde levensmaand
(pagina 39 en andere). Dan wordt het zaak te achterhalen, welke
somatopsychische karakteristieken van het tactiele contact dat contact zo
belangrijk maken voor de gewoonlijk veel later optredende psychosomatische
klachten. Maar ook hierin blijkt Buytendijk c.s. op een gegeven moment een
wegwijzer, zoals zal blijken.
De reciprociteit van het tastcontact: voegen-in
en voegen-naar
Louter op basis van voortgezette observatie van de
direct-observeerbare en onmiddellijke effecten bij variaties van tactiel
contact, kwam De Graaf tot de overtuiging, dat het zich-voegen-in-de-ander
en het zich-voegen-naar-de-ander basiskenmerken zijn van een
vitaal tastcontact, waarbij noch het bewuste voelen van de patiënt, noch
affecties van de therapeut een directe rol vervullen. Sterker nog: iedere
poging van de therapeut om in zijn betasten positieve (of negatieve) affecties
voor de patiënt uit te drukken of om de patiënt, hoe dan ook, uit te nodigen
zijn hand te voelen, bederven die revitaliserende kenmerken van het
tastcontact.
De
handdruk als voorbeeld
Wat precies bedoeld wordt met voegen-in en
voegen-naar laat zich duidelijk maken door na te gaan, wat er zich
afspeelt als twee mensen elkaar een hand geven.
Het initiatief daartoe kan van een van beide zijn
uitgegaan, maar dat laten we nu buiten beschouwing. We analyseren de handdruk
zelf als vorm van tactiele ontmoeting.
Stel A geeft B een hand. Of kan ik evengoed zeggen: B
geeft A een hand? Ik kan alleen maar zeggen, dat A en B elkaar een hand geven.
Er is daarbij sprake van vier verschillende analysemomenten.
We noemen ze a,
b, c en d.
a. De hand van A voegt zich in de hand van B.
b. De hand van A voegt zich naar de hand van B.
c. De hand van B voegt zich in de hand van A.
d. De hand van B voegt zich naar de hand van A.
Hierbij is iets heel opmerkelijks aan de hand. Voor
ieder van die vier analysemomenten geldt, dat zij niet realiseerbaar zijn, ais
niet tegelijk aan alle drie de andere wordt voldaan. Er is dus sprake van iets
zo contradictoirs als circulaire causaliteit, ook wel genoemd recurrente
causaliteit (20).
Vitale reciprociteit
Het gebruik van het begrip causaliteit in 'circulaire
causaliteit' is eigenlijk een grapje, omdat de daarbij essentiële begrippen
'oorzaak' en 'gevolg' volledig ontkracht worden. Het gaat er in die
uitdrukking om, dat het ene gebeuren het andere oproept, maar er
tegelijkertijd door geconditioneerd en bepaald wordt. De oorzaak is dus
evenzeer gevólg van zijn gevolg als het gevolg óórzaak is van zijn oorzaak.
Deze noodzakelijke onzin duidt er op, dat we wat voorzichtiger moeten
aankijken tegen de vermeende, goddelijke alomtegenwoordigheid van ons idee
Voor deze merkwaardige relatie gebruiken wij de
uitdrukking 'vitale reciprociteit'. Die relatie geldt hier voor ieder van de
vier benoembare analysemomenten van de handdruk.
De reciprociteitrelatie blijkt trouwens te gelden
voor álle vitale functies, zowel in de fysiologie (de werking van het
zenuwstelsel bijvoorbeeld), als in de psychologie (de waarneming en de emoties
bijvoorbeeld).
Vitale functies kunnen daarom niet adequaat worden
beschreven in termen van stimulus en respons, en dus ook niet in termen van
een feedbacksysteem. (Een feedbacksysteem is immers een vorm van keurig
lineair voortschrijdende causaliteit, en heeft qua causaliteit helemaal niets
circulairs, al wordt dat vaak gesuggereerd.) Het is vooral rond dit fenomeen
van vitale reciprociteit, dat we eerder konden spreken over de terugkeer van
Buytendijk in de huidige wetenschapsbeoefening. Zie pagina 187 bij Dekkers
(3).
Hoewel het al van groot belang is, deze reciproque
relatie te onderkennen in de communicatie van ieder vitaal organisme met zijn
fysische omgeving, wordt dat extra belangrijk in de studie van de interactie
tussen twee levende organismen.
Interactie tussen twee subjecten
De circulaire causaliteitsstructuur maakt dat de
communicatieve actie van het ene organisme niet adequaat tot stand kan komen,
als niet tegelijk daarmee een even adequate communicatieve actie van het
andere organisme gepaard gaat.
Het is geen kwestie van 'eraan beantwoorden', want
die uitdrukking verwijst weer naar vraag en antwoord en dus een lineaire
volgorde in de tijd. Die is er niet.
In ons voorbeeld geldt: ófwel de genoemde vier
analysemomenten van de handdruk zijn er alle vier tegelijk, ófwel er is geen
sprake van een goede handdruk. Wel kan een handdruk zich als geheel
kwalitatief ontwikkelen in een lineaire tijd, maar op ieder moment in die
ontwikkeling zijn ze alle vier even belangrijk; dat wil zeggen: het is
onmogelijk om daarbij de elementen a, b, c en d in een lineaire tijd te
ordenen.
Anders gezegd: de vitale kwaliteit van de handdruk
als communicatievorm is afhankelijk van de kwaliteit van ieder van die vier
analysemomenten, die slechts in onderlinge afhankelijkheid simultaan tot stand
kunnen komen.
Het onderkennen van die afhankelijkheid is van
belang. Want daardoor is het begrip symbiose niet overdreven: er is op dat
punt van communicatie ófwel een sámenleven ófwel géén leven.
Tastcontact als vitale
communicatie
Nu is een geslaagde handdruk gewoonlijk geen kwestie
van 'to be or not to be'. Maar dat ligt anders als het tactiele contact de
belangrijkste en nagenoeg de énige vorm van vitale communicatie is, zoals
voor het pasgeboren kind. Dán wordt die kwaliteit van de ontmoeting wel van
vitaal belang.
De vier genoemde niet te scheiden bouwstenen van een
wederzijds voegen-in en voegen-naar zijn ons inziens niet alleen
kenmerkend voor de goede handdruk, maar voor iedere tactiele contactvorm
waarin vitale communicatie wordt gezocht.
We hebben het dan niet over contactvormen als slaan,
steken, prikken, masserend behandelen, drukkend belasten, tastend onderzoeken
van dieperliggend weefsel enzovoort.
Het gaat dus niet over tactiele vormen van áfweer
van communicatie, noch over vormen die louter middel zijn om een doel te
bereiken, dat buiten het tactiele contact zelf ligt.
Het gaat ons om iedere tactiele contactvorm, waarin
dat tactiel contact om zichzelf gezocht wordt als vorm van vitale
communicatie.
Het begrip vitale communicatie heeft hier een veel
breder verwijzingsgebied dan het begrip ’ontmoeting',
zoals het door Buytendijk is uitgewerkt.
De levensdrift
Met het begrip vitale communicatie willen wij
verwijzen naar de 'levensdrift', die niets anders is dan ’communicatiedrift'.
De communicatiedrift is niet een eigenschap van het
leven, maar is een definitie van wat leven is en waardoor het zich
onderscheidt van het niet-levende. Leven is drift tot communiceren met
vitaal-goede en afweren van het vitaal-kwade.
Leven is
bestaan-in-communicatie. En in
levensvormen die tot 'beleven’ zijn gekomen, zijn emoties niets anders dan
de belevingen van die primitieve oerdrift tot communicatie, zoals bijvoorbeeld
ook Frijda (25) stelt op pagina 6, met verwijzing naar Spinoza en via hem naar
Aristoteles. Leven is een reciproque verbinding van organisme en omgeving, om
een eerder gegeven citaat van Touwen (11) te herhalen.
De handdruk was slechts een voorbeeld
De tactiele communicatie is - zoals we aangaven - een van de meest fundamentele vormen waarin die levensdrift zich uit.
En daarbij is ons inziens de vitale reciprociteit van het wederzijds zich
voegen-in en voegen-naar steeds aan de orde. Het voegen-in
en voegen-naar is meestentijds van een veel verfijnder soort en veel
moeilijker te observeren dan bij een handdruk. De handdruk was slechts een
grootschalig voorbeeld.
Niet de analyse van de handdruk, maar -zoals
gezegd - de evaluatie van tactiel therapeutisch handelen zette De Graaf
op het spoor van deze viereenheid van beschrijving.
Signalen waren de verschillende manieren waarop de
oriëntatiereactie zich bij het aanraken realiseerde, en de zich daarna
ontwikkelende reactiepatronen. Van differentiërend belang bleek te zijn, hoe
de tastende hand van de therapeut zich gedraagt in termen van zich voegen in
en zich voegen náár het betaste weefsel, en hoe hij daarbij voor dat weefsel
de mogelijkheid realiseert om zich reciproque invoegend te voegen naar die
tastende hand. Dat wil overigens niet méér (maar ook niet minder) zeggen,
dan dat deze viereenheid van beschrijving de enige vorm is, waarin De Graaf
duidelijk observeerbare verschillen in lijfsgedrag van de patiënt weet te
koppelen aan betastingsvormen van de therapeut.
De noodzaak van verstild contact
Om die verschillen te leren observeren, is het
noodzakelijk dat de therapeut niet van alles doet met zijn hand of handen,
maar dat hij met zijn hand alleen maar het tactiele contact tot stand brengt.
Dat contact moet geen enkele functie meekrijgen, moet niets ánders
uitdrukken, dan het contactzelf in puur lijfelijke vorm. Er moet ook geen
resoluut betastende hand zijn, maar slechts een lichte, neutrale aanraking.
Het weefsel van de psychosomaticus
Bij patiënten met hardnekkige psychosomatische
klachten lukt het dan nooit om in termen van wederzijds voegen-in en
voegen-naar een adequaat tastcontact tot stand te brengen. Wat ontstaat
is een zich moeilijk habituerende oriëntatiereactie met heel het daarbij
horende autonome arousalpatroon.
En in zoverre er op een gegeven moment van een zekere
habituatie sprake is, en er een meer gerichte reactie ontstaat, is er geen
sprake van een weefsel dat zich op vitale wijze invoegend voegt naar de hand
van de therapeut.
Er is sprake van onrust; onrust in het weefsel onder
de hand en blijvende arousal in het hele lijf, vooral merkbaar aan de
ademhaling, de algehele tonisatie en de pulsering van het bloed.
Het weefsel onder de hand beweegt wel, maar het
bewegen is een soort zoeken, een soort beven, zonder aansluiting te vinden. In
het bewegen is het weefsel niet plastisch, niet flexibel. Het weefsel is óf
klam en vochtig, óf overmatig warm.
Wat er precies gebeurt laat zich overigens niet
gemakkelijk beschrijven. Men moet het waarnemen, door te voelen. Alleen in die
vorm van waarnemen kan men het verschil constateren met een weefsel dat wet
mooi-warm en droog en plastisch en rustig onmiddellijk zich invoegend
voegt naar de hand van de therapeut. Dan is dat weefsel als het weefsel van de
voldane baby die zich behaaglijk nestelt in het weefsel van de moeder.
De Balinese baby als leermeester
Montagu (22) verwijst (pagina 107) naar studies van
George Bateson en Margaret Mead over het leefpatroon van de Balinese baby die
dag en nacht in de armen van de moeder is, of in een band op haar heup.
Ook zij gebruiken het begrip 'zich voegen'. De baby
voegt zich voortdurend in en naar het moederlijf en leeft zijn beate leven in
dat tactiele samenzijn, zolang het moederlijf ook die kwaliteiten van het zich
invoegend voegen naar het babylijfje bezit. 'Het (kind) kan zelfs slapen,
terwijl zijn hoofd op de maat van het rijststampen van zijn moeder heen en
weer schommelt'. In de hierna volgende korte passage worden twee dingen
duidelijk gemaakt: ten eerste wat er gebeurt als het lijf van de moeder die
karakteristieken van het voegen-in en voegen-naar verliest, en ten
tweede hoe het tactiele contact met de moeder een echte symbiose is, dat wil
zeggen hoe de baby in en via het lijf van de moeder de veiligheid of
onveiligheid van zijn bestaan waarneemt.
Bateson en
Mead: 'De baby krijgt zijn indicaties of
de buitenwereld vertrouwd of gevreesd moet worden rechtstreeks door het
contact met het moederlichaam, en hoewel de moeder zichzelf geleerd heeft te
glimlachen en hoffelijke zinnen te zeggen tegen de vreemdeling en leden van
een hogere kaste, en geen angst laat blijken in haar kunstmatig grijnzend
gezicht, toont de schreeuwende baby in haar armen haar inwendige paniek'.
Geen psychologische categorieën
We spraken eerder over activiteiten van 'het weefsel'
(van de patiënt) en van 'de hand' (van de therapeut), en niet over 'de
patiënt' en 'de therapeut'.
De situatiebeschrijving van het tastcontact tussen
moeder en baby moge volstaan, om duidelijk te maken dat de vitale effecten van
dit contact niets te maken hebben met gebruikelijke psychologische
categorieën.
Van de kant van de moeder hoeft er geen sprake te
zijn, althans niet in dat tastcontact, van koestering of streling of
vertroeteling.
De moeder voelt zich vrij om haar rijst te stampen
zonder zich verder om het kind te bekommeren(22).
Van de kant van de baby hoeft er geen sprake te zijn
(kan er waarschijnlijk geen sprake zijn) van een bewust een gedifferentieerd
voelen van liefde en genegenheid. De kwaliteiten van het wederzijds zich-invoegend-voegen-naar
zijn vitaliserende kwaliteiten van het tastcontact-op-zich, ook
zonder dat dat contact enige andere functie of betekenis heeft.
Van de kant van de moeder is er geen sprake van een
andere expressieve functie, dan die welke het weefsel-zelf in zich
draagt: grootvlakkig, ruimte latend, aansluitend, zich voegend, omsluitend,
vitaal communicerend.
Van de kant van de baby is er geen sprake van enige
ándere betekenis dan weldadig leven, dat is: bestaan-in-communicatie.
Wellicht speelt dezelfde louter somatisch-tactiele
betekenis een rol in de geheel eigen functie, die het niet-actieve,
verstilde lijf-aan-lijfzijn vervult, zoals we dat kennen in
allerlei duale, intieme relaties.
Maar wat beleeft de baby?
In bovenstaand citaat van Bateson en Mead is in het
begin sprake van indicaties voor de baby of de buitenwereld vertrouwd of
gevreesd moet worden.
Op het einde staat: 'toont de schreeuwende baby in
haar armen haar inwendige paniek'. De observatie is correct beschreven, maar
wel vanuit het standpunt en de kennis van de volwassen waarnemer.
De vraag is: wat is de informatie die de baby
bereikt? Hoe weinig daarover ook met enige zekerheid te zeggen valt, toch
lijken de volgende vaststellingen verantwoord.
Voor de baby is er in de vroegste lijd geen sprake
van informatie over een 'buitenwereld' waarmee de moeder in relatie is. Zo'n
buitenwereld bestaat nog niet in het begin. Voor de baby is de moeder de enige
wereld en aanvankelijk zelfs niet als de moeder, maar in de vorm van het lijf
waarmee gecommuniceerd wordt.
Wat de baby waarneemt is dan ook niet de ’paniek'
van de moeder, maar het plotseling verdwijnen van de communicatieve
mogelijkheden van het invoegend zich kunnen voegen naar het moederlijf. Alle
waarnemen van de baby is hier naar inhoud beperkt tot wat valt waar te nemen
op die grens tussen babylijf en moederlijf.
Dit grensbegrip vraagt om nadere beschouwing. (Men realiseert
zich overigens, dat ons voortdurend verwijzen naar de moeder niet
exclusief moet worden opgevat. Iedere andere verzorger of verzorgster kan in
principe natuurlijk dezelfde functie vervullen).
Het
ontstaan van Zelf en Wereld
Tasten: Waar is mijn grens?
De grens die in het tastgevoel gegeven is, is in de
allervroegste babytijd van groot belang. Zij vervult een geweldige rol in het
ontstaan van zelfbeleving en wereldbeleving bij de baby.
Ook het ontstaan van een persisterende, verziekende
excentrische positionaliteit bij frustrerende ervaringen aan die grens, wordt
daarmee begrijpelijk en haast vanzelfsprekend. in een uiterst summier betoog
willen wij trachten dit te verduidelijken.
Veel ankerpunten in een breed psychologisch en
psychiatrisch literatuurveld moeten wij terwille van de kortheid onvermeld
laten.
We beginnen als wegwijzer met enkele observaties van
Buytendijk, volgens de parafrase van Dekkers (3) pagina 206: 'Het tasten is
volgens Buytendijk gekenmerkt door polariteit. Het is zowel 'iets aantreffen
in zijn tastbaarheid 'als een bestaan in de eigen grens'. Enerzijds treffen we
in het tasten een ding, een object met bepaalde eigenschappen aan in zijn
anderszijn; anderzijds worden wij door het tasten met onszelf geconfronteerd
en treffen wij onszelf aan als onderscheiden van het betaste voorwerp.... Bij
het tasten zijn de tastbewegingen en de tastgewaarwordingen verenigt in een
sensomotorische eenheid, een functioneel kringproces: de bewegingen roepen de
gewaarwordingen op en deze de bewegingen.' Er is sprake van 'het pathische
existeren, het bewogen zich bewegend aantreffen bij het betaste door de
eenheid van een onbewuste subjectieve passiviteit en activiteit heen.'
Er is sprake van een 'vitaal 'gesprek' tussen mijn
hand en het ding'.
Deze analyse van Buytendijk betreft álle tasten. Zij
wordt extra pregnant als we ons begeven naar de tastervaringen van de baby,
waar het vitaal gesprek niet verloopt tussen een tastende hand en een ding,
maar tussen het babylijf en het moederlijf.
Het ontwaken van de individualiteit
Een algemene stelling in de ontwikkelingspsychologie
is, dat de eerste psychologische ontwikkelingsstap als volgt kan worden
omschreven.
De baby ontwaakt langzaamaan uit een diffuse,
symbiotische totaliteitsbeleving naar de beleving van een onderscheid tussen
'zelf en 'niet-zelf’.
Zoals gezegd, verdient de ontwikkelingspsychologie
aanvulling vanuit de onderzoeksgegevens, die Montagu (22) verzamelde. Dat
geldt ook voor dit proces van het ontwaken van een zelfbeleving. In de
moederschoot ontwikkelt het kind zich onder invloed van een veelheid van
tactiele invloeden, die voor het organisch functioneren van groot belang zijn
en waarvan de aanwezigheid als het ware vanzelfsprekend is geworden, maar die
wegvallen na de geboorte. De levensdrift als communicatiedrift zal vóór
alles de vorm krijgen van zoeken naar herstel daarvan. Dat zoeken is
primitief, amorf, niet gericht; het is een tenderen om in te voegen zo gauw er
Die symbiose kan in het tactiele contact met de
moeder hervonden worden.
Zolang dat ongestoord blijft verlopen, blijft het
waarschijnlijk puur symbiose: er is dan geen zelf en er is geen ander.
Maar in dat contact is er onvermijdelijk sprake van
verstoringen: het kind wordt verschoven, of het contact wordt tijdelijk
verbroken, of het moederlijf leent zich op gegeven momenten niet voor een
adequaat contact, en zo voort.
Juist in die onvermijdelijke verstoringen en in de
'fysiologische' arousal die ontstaat, zal het beleven van een 'zelf en een 'niet-zelf’ ontstaan.
Bij regelmatig herstel van het goede contact, wordt
daarin het herstel van de bedreigde communicatieve homeostase beleefd.
Die wisselwerking van zoeken en vinden bepaalt het
ontstaan van een Zelf-beeld en een Wereld-beeld.
De verstóringen roepen de beleving op van het
bestaan in een eigen grens, en daarmee tegelijk de beleving van het
wegvallende andere áán die grens. En vooral: het herstel van de
levensbevestigende communicatie wordt beleefd ook weer áán die tastgrens. Er
is als het ware de beleving van: 'dáár wordt het bestaan weer lustvol,
dáár is behaaglijk leven te vinden'.
Een authentiek Zelf is een Lichaam-Zelf
In die tactiele lichaamsfunctie ontstaat een
authentieke zelfbeleving. Dat is een zelf-zijn als functionerend
lichaam. Dat is een zelf-zijn in centrische positionaliteit. En in die
centrische positionaliteit ontstaat tegelijk een beeld van het ándere, een
wereldbeeld,
Het is een wereld-beeld waarin de noodzaak en
de belofte van een veilige, lustvolle directe communicatie domineert.
Wij zijn gewend om het woord ’beleving'
onmiddellijk te interpreteren in termen van bewuste reflexie. We wezen al
eerder op de noodzaak om het woord 'beleving' óók te verstaan als
prereflexieve, preverbale, volkomen onbewuste ervaringen.
De termen zelf-beeld en wereld-beeld zijn
daarom ook gevaarlijke termen. Het gaat niet over een beeld in de zin van
afbeelding. Het woord 'beeld' moet worden verstaan als de vorm, die de zelf-zijn-beleving
en de het andere-zijn-beleving krijgt. Die vorm is niets anders
dan de structuur van in het lijf beleefde en geheugenmatig vastgelegde
veilig-onveilig-ervaringen,
die een echt wéten zijn. (13, 9, 6, 15).
Als dit ontwikkelingsproces ideaal verloopt, ontstaat
dus een zelf-beeld, waarin het zelf-zijn beleefd wordt als een
lichaam-zijn-in-communicatie.
We noemden dat eerder een
Lichaam-Zelf, in
tegenstelling met een zogenaamd Ik-Zelf.
Wat is het Zelf en wat is het
Ik?
Alvorens dit betoog te vervolgen, is een opmerking over de begrippen 'het Zelf' en 'het Ik' wellicht noodzakelijk.
Ook daarmee bedoelen we allerminst het scheppen van geheimzinnige instanties binnen 'de psyche' en de mens.
Het begrip ’het Zelf’ betekent voor ons niets
anders dan een verwijzing naar een kwaliteit van het handelend subject;
namelijk dat het subject besef toont van het feit dat het een grens heeft, dat
het een individu is, onderscheiden van de dingen en levende wezens waarmee het
in relatie komt.
Het begrip ’het
lk' wil slechts verwijzen naar de
situatie waarin het handelend subject het woordje 'ik’ gebruikt, simpelweg
als 'persoonlijk voornaamwoord, eerste persoon, enkelvoud'. Dat zijn altijd
situaties waarin het subject zijn doen en laten of zijn gevoelens bekijkt in
reflexie, met een zekere afstandelijkheid. Het is dat kenmerk van een
afstandelijke positie, dat ons deed kiezen voor de term: een 'ik-Zelf’.
En wil deze term niet verkeerd verstaan worden, dan moet men blijven bedenken,
dat wat eerder vermeld is over onbewuste reflexie.
Liefdeblijken zijn niet voldoende
De genese van een Ik-Zelf in plaats van een
Lichaam-Zelf is eigenlijk al gegeven met een frustratie van het
beschreven proces.
Wij veronderstelden een wisselwerking tussen
enerzijds een adequaat aanbod van tastcommunicatie als mogelijkheid van zich
invoegend voegen naar het weefsel van de ander; en anderzijds onvermijdelijke,
maar voortdurend ook herstelde verstoringen daarvan.
Maar wat gebeurt er, als het moederlijf zo'n aanbod
niet wáár kan maken?
Zo'n onvermogen hoeft niets te maken te hebben met
gebrek aan liefde of zorgzaamheid of een niet vaak genoeg koesteren.
Het gaat nogmaals - niet direct over tekorten,
die in gebruikelijke psychologische categorieën omschrijfbaar zijn.
Het gaat erom dat het moederlijf, en dus het
moederweefsel, chronisch niet de plasticiteit, de vrije vitaliteit bezit, die
noodzakelijk is om de reciprociteit van zich-invoegend-voegen-naar
tot stand te laten komen.
Dat zal gewoonlijk het geval zijn bij een moeder die
zelf overwegend in excentrische positie haar lichamelijkheid realiseert en
voor wie haar lichaamsfuncties zich als een instrument bevinden tussen een
sturend Ik-Zelf en haar wereld.
Het schreeuwend streven naar herstel van het veilige,
tactiele ingenesteld zijn in de moederschoot vindt geen adequaat antwoord,
Zeker, er is frequent tastcontact, maar dat levert voortdurend dezelfde soort
tastbeleving als beschreven is bij de schreeuwende baby van de Balinese
moeder. Zeker, die baby ligt in de armen van een liefhebbende moeder, maar
dát blijkt op zich niet voldoende. Sterker nog: juist in dat contact ontstaat
de frustratie die doet huilen.
Een excentrisch Ik-Zelf ontstaat
Het belang van de grensbeleving, die met álle
tastcontact gegeven is, wordt dan extra pregnant. Want in dit tastend proberen-te-communiceren
wordt de mislukking beleefd aan die grens.
Het ontluikende Zelf ondervindt in dat directe
contact tussen lijf en wereld voortdurend frustratie. De identiteit van
zoekend Zelf en lustvol communicerend lijf gaat verloren. Het lijf-zelf
wordt geleidelijk aan op die grens ervaren als juist niet samenvallend met het
naar communicatie hunkerend Zelf.
Het lijf verliest z'n betekenis van belofte en
verzekering van veilig bestaan.
Het spontane, automatische lijfs-zoeken dooft
uit en wordt een zoeken met het lijf en via het lijf. Kortom, het kind als een
zoekend Zelf gaat functioneren in excentrische positie.
Het Zelf-zijn van het kind wordt een
Ik-Zelf.
Volgens de ruimtelijke metafoor die met de term
positionaliteit gegeven is, is er sprake van een zich terugtrekken uit het
gefrustreerde functioneren op de tastgrens, dus een opgeven van de centrische
positie.
Het zoekend begeren van contact blijft. Natuurlijk!
Want de dynamiek van de levensdrift zoekt zich hoe dan ook een wereld ter
verwezenlijking van het eigen bestaan.
En de baby mist de organische structuur om te zoeken
naar alternatieve vormen van communicatie. Maar de vanzelf verlopende voegende
en invoegende lichamelijkheid wordt verleerd. Het lijf wordt in regie genomen.
Het lijf voegt niet meer, maar wordt gevoegd, in pogingen om zó te zijn, dat
het contact en de communicatie zoveel mogelijk wordt gered. Het voegen wordt
een zich aanpassend voegen. Het is een aanpassen waarbij van een vitaal
invoegend-voegen-naar geen sprake meer is. Het wordt een afstandelijk
zich aanpassen, niet spontaan, niet plastisch, maar in een voortdurend
gespannen oriëntatie op dat grensgebeuren, volgens afgedwongen normen.
Het is verleidelijk om hier een reeks van psychologen
en psychiaters aan het woord te laten komen, maar de ruimte ontbreekt voor
méér dan twee summiere verwijzingen zonder verdere uitwerking.
De neonfreudiaan Karen Horney (26) stelt: 'het door
Freud beschreven 'ego' blijkt ... niet een universeel maar een neurotisch
fenomeen te zijn.'
Zij ziet als de bron van alle kwaad de 'fundamentele
onlust', die direct samenhangt met een 'afdwalen van het spontane ik', 'een
onderdrukking van de spontane individualiteit'.
Zij vindt daarin aansluiting bij W. James en
E. Fromm.
Stüttgen (15) spreekt over de 'Ueber-ich-Qualität des
psychosomatischen Patienten', waarbij wij denken aan het zojuist vermelde zich-aanpassen
volgens afgedwongen normen.
Theoretische integratie en therapeutische consequentie
In de mate dat het ons gelukt is, met het
bovenstaande een overtuigend beeld te geven van de allervroegste
ontwikkelingsgeschiedenis, in die mate zijn voor de lezer dan nu de volgende
vier, reeds toegelichte stellingen, in een samenhangend theoretisch beeld
gebracht.
1. De stelling dat psychosomatische klachten
teruggaan op de allereerste 'frühkindliche Entwicklung' (15).
2. De stelling dat de vroegste
'frühkindliche Entwicklung' bepaald wordt door tactiele contactvormen (22).
3. De stelling dat een persisterende excentrische
positionaliteit het belangrijkste kenmerk is bij psychosomatische klachten.
4. De constatering dat het niet lukt een adequaat
tactiel contact te doen ontstaan in het lijf van de psychosomatische patiënt.
Met dit theoretisch beeld is een indicatie gegeven
voor therapie.
Die dient gericht te zijn op herstel van het vermogen
van de patiënt om zijn lichamelijkheid weer in een centrische positionaliteit
te kunnen realiseren.
De ervaring leert, dat herstel van dat vermogen heel
vaak lukt, juist op de grens, waar het verloren is gegaan.
Het lukt dáár waar in het weefsel van de patiënt
het vermogen zich herstelt om zich invoegend te voegen naar de hand van de
therapeut.
We wijzen opnieuw op deze formulering. Er staat niet
'waar de patiënt (in zijn weefsel) zich voegt naar de therapeut (in diens
hand)'. Het moet gaan - om Buytendijk te citeren – over ’een vitaal
gesprek' tussen hand en weefsel, waarbij het de kunst is om de persoonlijkheid
van de therapeut en zéker die van de patiënt zo ver mogelijk op de
achtergrond te houden.
En daarmee zijn we toe aan de laatste, maar niet de
minste stelling in onze theoretische uitgangspunten. Het betreft een
therapeutische conditie, die geïmpliceerd is in het bovenstaande, maar die
zich even zo goed rechtstreeks vanuit de praktijk heeft opgedrongen.
Niet de persoon maar het weefsel
In de inleiding, doelend op psychosomatische
klachten, was sprake van 'een zeer werkzame en starre 'geest', waarin als het
ware alle 'voelsprieten' zich hebben teruggetrokken'.
Nu, na al het voorafgaande, moge duidelijk zijn,
waarom we het woord 'geest' tussen apostroffen plaatsten. Er is ons inziens
immers geen sprake van een geest, maar van een subject dat - in
zijn functioneren - persisterend zijn lichamelijkheid realiseert vanuit
een excentrische positie.
Het beeld van het zich terugtrekken van alle
'voelsprieten' blijft daarbij passen.
Het voelende waarnemen heeft namelijk óók plaats
vanuit een excentrische positie.
Er is geen authentiek vitaal lichaamsgevoel meer.
Lichaamssignalen, welke dan ook, hebben vastliggende betekenissen gekregen en
dat zijn betekenissen die passen bij het 'alle touwtjes in handen houden'.
Wat voor iedereen geldt, wordt vooral bij de
psychosomaticus een verankerd obstakel in de tactiele therapie.
Niemand kan de werkelijkheid waarnemen
Voor ieder mens, ook de meest gezonde, geldt dat de
waarneming bepaald wordt door vastliggende betekenissen.
We schreven al in de inleiding, dat de psychologie
van waarneming en emotie leert (13, 9), dat emotie betekenissen vastlegt en
vastgelegde betekenissen doet herleven; en dat de inhoud van iedere waarneming
bepaald wordt vanuit het waarnemend subject op grond van voor dat subject
vastliggende betekenissen.
Het woord 'betekenis’ dient hierbij vooral verstaan
te worden als 'vitale waarde'. Alleen die dingen, die anderen en die kenmerken
en gebeurtenissen, welke vitale waarde hebben gekregen, bestáán in de
werkelijkheid waarin wij handelend verkeren.
In het vitale omgaan met de werkelijkheid bestaat er
voor niemand een 'objectieve' wereld. Die bestaat alleen in ons abstracte
denken.
Vanuit de met zijn organisme gegeven functiepatronen,
ontwerpt ieder mens zich een eigen wereld, die niets anders is, dan een
ingewikkelde structuur van ervaren betekenissen, die zijn vastgelegd als
bestaansbevestigende of bestaansbedervende ervaringen.
Niemand neemt 'de' werkelijkheid waar, maar slechts
'zijn' werkelijkheid. En die op taxatie berustende waarneming bepaalt al de
emoties, alle motieven en dus alle handelen. (Meestal zijn het onbewuste
processen).
Dat ziet er niet best uit voor een vermeende ’vrije
wil'. Maar dat begrip zullen we dan ook grondig moeten omsmelten, om het
weinige goud dat er in zit te kunnen winnen en behouden.
Het waarnemen van de patiënt als verankerd obstakel
Deze gegevens worden extra pregnant bij de therapie
van hardnekkige psychosomatische klachten. Het beschreven patroon van een
persisterende excentrische positionaliteit moge dat duidelijk maken. Hun
wereld is een onveilige wereld, waarmee behoedzaam dient te worden omgegaan.
Hun lichamelijkheid wordt (onbewust) beleefd als een
instrument waarmee die behoedzaamheid wordt waargemaakt. En dat waarmáken kan
evenals het waarnémen slechts in overeenstemming met de 'touwtjes' die
klaarliggen.
Alle voelen wordt duidend bepaald vanuit de
excentrische positie: alle 'voelsprieten' zitten dáár en roepen dáár de
bijpassende reactie op. Daar helpt geen moedertje lief aan en ook geen
therapeutische bedóeling.
Iedere
betastingsvorm, die de mogelijkheid van
duiding en herkenning biedt, wordt onder de handen van de therapeut
weggegraaid naar een duiding en verwerking vanuit een excentrische positie.
Het weefsel krijgt de kans niet om zelf te reageren op grond van de
oorspronkelijke, met het organisme gegeven functiepatronen.
Wat blijft er dan nog over?
Wat de therapeut dus moet doen, is plaatsen en vormen
van aanraking zoeken, waarbij de patiënt volledig in het ongewisse blijft
over bedoeling en betekenis daarvan.
Dat zal niet eenvoudig te realiseren zijn, want bijna
iedere vorm van betasten heeft, op basis van cultuur of persoonlijke
instelling, wet een of andere betekenis.
Bovendien veronderstelt een accepteren van een niet-te-duiden
betasting, juist bij de regulerende psychosomaticus, een groot vertrouwen in
de therapeut.
Bij dat alles moet dan ook nog verondersteld worden,
dat het handelend subject in de verdere ontwikkeling van zijn bestaan niet zó
onveilig is geworden, dat het functioneren in excentrische positie álle
vormen van centrisch functioneren heeft uitgedoofd.
De Graaf beperkt zich nagenoeg tot het langdurig
vasthouden van de kuit van de patiënt, vaak meerdere sessies lang.
Dit is aanvankelijk trouwens geen 'vasthouden', maar
slechts een lichte aanraking. Alles wat gedáán wordt door de therapeut,
gebeurt in de hand van de therapeut, die zich niet verplaatst in de ruimte.
De enige therapeutische 'ruimte' is die, welke de
hand van de therapeut probeert te doen ontstaan als een 'gespreksruimte'
tussen die hand en het weefsel van de patiënt.
Als persóón tracht de therapeut zoveel mogelijk
distantie te bewaren. Iedere manuele of verbale expressie, waardoor hij in het
tactiele contact als persoon aanwezig wordt, roept onmiddellijk de
presenstelling van de patiënt als persóón op in dat contact. En als persoon
reageert de patiënt met zijn lichaam, vanuit een excentrische positie.
Want wat is persoon-zijn ánders, dan zich
gedragen overeenkomstig het voor dat subject eigen, specifieke wereldontwerp?
Het sprekende ik spreekt weer over zijn lichaam?
Een nauwkeurige beschrijving van hoe precies de hand
van de therapeut zich gedraagt in de verschillende stadia, waarin zo'n
'gesprek' zich kan ontwikkelen, behoort niet meer tot de theoretische
uitgangspunten, maar tot de therapeutische vormgeving daaraan, en valt dus
niet onder de intenties van dit artikel.
Als slotakkoord nemen we uit Montagu (22) een citaat
over van Ortega y Gasset: '
’Het is duidelijk dat de beslissende vorm waarin
wij met de dingen omgaan, in feite de aanraking is. En als dat zo is, zijn
aanraking en contact noodzakelijkerwijs de meest beslissende factoren bij het
bepalen van de structuur van onze wereld ... (Het) blijkt dat onze wereld is
opgebouwd uit aanwezigheden, uit dingen die lichamen zijn. En zij zijn dat,
omdat ze in contact komen met datgene, dat de mens het meest nabij is, met het
’ik' van ieder mens, namelijk zijn lichaam.
1. Literatuur 1.
Buytendijk, F. J. J.; Algemene
theorie der menselijke houdingen beweging; Utrecht: Aulaboeken, 1964 (3e
druk).
2. Tamboer, J. W.
L; Mensbeelden achter
bewegingsbeelden; Haarlem: De Vrieseborch, 1985.
3. Dekkers, W. J.
M.; Het bezielde lichaam; Zeist: Kerckebosch, 1985.
4. Tamboer, J. W.
L; Lichaamsbeweging, handeling,
bewegingshandeling. In: W. J. M. Dekkers (red.); intentie en cognitie;
Nijmegen: K. U. Vakgroep Wijsgerige Antropologie, 1988.
5. Van der Veer, R. en J.
Valsiner; Dualisme in de
psychologie van de emotie; Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 42
(1987), p. 405‑413.
6.
Calon, P. J. A. en J. J. G. Prick; Psychologische
grondbegrippen. In: Prof. dr. J. J. G. Prick en dr. H. G. van der Waals (red.);
Nederlands handboek der psychiatrie; deel l; Arnhem: Van Loghum Slaterus,
1958.
7. Hersenen en Gedrag; Conferentiebundel; Amersfoort:
Internationale School voor Wijsbegeerte, 1986.
8.
Cools, A. R.; Hersenen en gedrag: een unieke
uitdaging; inaugurale rede, K. U. Nijmegen, 1985. (Overdruk in 7).
9.
Frijda, N. H.; De emoties; Amsterdam: Bert Bakker,
1988.
10.
Brunia, C. H. M.; Activatie en emotie. In: Prof.
dr. J. A. Michon e.a. (red.); Handboek der Psychonomie; Deventer: Van Loghum
Slaterus, 1976.
11. Touwen, Bert C.
L.; De ernst van het spel:
ontwikkelingsneurologische verkenningen; lnaugurale rede, R.U. Goningen, 1983.
12. Bakker,
R; De geschiedenis van het
fenomenologisch denken; Utrecht: Aulaboeken, 1969 (3e druk).
13.
Verberk, A. J. A.; Instincten neurose: de neurose
als verkreupeling van de instinctbasis; Doctoraalscriptie K.U. Nijmegen, 1962.
14. Vroon,
P.; Bewustzijn, hersenen en gedrag; Baarn:
Ambo, 1976.
15.
Stüttgen, Th.; Interaktionelle Psychosomatik; Berlin: Springer Verlag, 1985.
16.
Strasser, S.; Fenomenologie en empirische
menskunde; Arnhem: Van Loghum Slaterus, 1962.
17.
Lersch, Ph.; Algemene psychologie; Utrecht: Aufaboeken, 1970.
18.
Giddens, A.; New Rules of Sociological Method; New York: Basic Books, 1976.
19.
Coenen, H.; Handelingsonder‑zoek als
exemplarisch leren; dissertatie; Groningen: Konstapel, 1987.
20.
Johannesma, P. L M., Reaktie en Kreatie; 1986.
In: (7).
21. De
Vooght, L.; Boekbespreking in: Tijdschrift
voor Psychiatrie, 28, 1986, p. 61.
22.
Montagu, A., De tastzin; Utrecht: Aulaboeken,
1972.
23.
Sachs, Fr.; Het gevoel; Natuur en Techniek, 57,
2, (1989), p. 110‑ 12 1.
24.
Mönks, F. J. en A. M. P. Knoers;
Ontwikkelingspsychologie; Nijmegen: Dekker en van de Vegt, 1983 (5e druk).
25.
Frijda, N. H.; De wetten van het gevoel;
Deventer: Van Loghum Slaterus, 1987.
26.
Horney, K; New ways in psychoanalysis; New York: Norton, 1939. (De
Nederlandse uitgave' Nieuwe wegen in de psychoanalyse' bij De Spieghel,
Amsterdam, 1950, is praktisch onbereikbaar.)
Summary
This
article offers a coherent theoretical framework, in which the following
propositions are integrated,
1).
Plessner's description-categories 'centric and eccentric positionality'
have an important heuristic function for the formation of a theory around the
tactile treatment of psychosomatic complaints.
2).
A persisting eccentric positionality is the most important characteristic
causing illness in the case of obstinate psychosomatic complaints.
3).
Psychosomatic complaints have their origin in contact-disturbances in
the first months of live. In these months tactile forms of contact form the
most fundamental condition for the physical as well as the behavioural
development. 4). An adequate tactile contact, as a form of vital communication,
has in itself qualities that can be defined as a tissue-activity, which
is a question of mutual insertion in - together with an adjustment to - the tissue of the other
one.
5).
Those qualities have no direct relation with common psychological categories
like affection, fondling and so on.
6).
In a therapy - aiming at the recovery of the ability of functioning in
centric positionality -such forms of touching, that do not yet have any
fixed meaning as a form of tactile contact for the patient should be looked
for. Not much remains, but those
few possibilities prove to be sufficient.
*C.
G. de Graaf; particuliere praktijk; sinds 1981
uitsluitend werkzaam als therapeut humane bewegingsfunctionaliteit en als
docent aan de gelijknamige opleiding.
Prof. dr. A J. A.
Verberk; psycholoog: em. hoogleraar
methodeleer soc. wetensch. R. U. Groningen; docent aan bovengenoemde
opleiding.
Correspondentieadres: Instituut Humane Bewegingsfunctionaliteit, Kooilaan 18, 8501 CT Joure.
Copyright: Nederlands Tijdschrift Voor Fysiotherapie.
Naar: Colleges